Vannacht – ik lag toch wakker – las ik het nieuwe boek van Rutger Bregman uit: ‘De meeste mensen deugen’. Laat ik beginnen met de loftrompet te blazen voor het vijfde boek van deze jonge historicus (hij is 31). Het is lang geleden dat ik weer eens zo gegrepen was door een non-fictie boek. Omdat Bregman je meeneemt bij zijn eigen ontdekkingstocht leest het als een avonturenroman. Bovendien weet hij moeiteloos inzichten te verbinden uit de psychologie, biologie, antropologie, archeologie en economie. En het mooiste is: daar komt een mensbeeld uit naar voren dat wat mij betreft realistisch is en tegelijk zeer hoopgevend. En een beetje hoop kunnen we best gebruiken!

Natuurlijk is er ook kritiek op zijn boek

Dat is ook te verwachten als iemand de moed heeft om een aanname ter discussie te stellen die onder zo’n beetje alles ligt wat we doen. Die aanname kun je samenvatten als: ‘de meeste mensen deugen niet’. En daarom moeten we blijkbaar alles voorkauwen, bureaucratiseren en controleren. Helaas leidt dit er ook toe dat de creativiteit, de intrinsieke motivatie en de levenslust soms ver te zoeken zijn. Bregman citeert een OESO onderzoek dat stelt dat Nederlandse leerlingen het minst gemotiveerd zijn van alle onderzochte landen. Best zorgelijk en waarschijnlijk ook herkenbaar voor veel docenten. Over de kritiek: ik heb er drie tot mij genomen en weet je wat me opviel? Alle drie de auteurs hadden duidelijk zijn boek niet gelezen, hooguit de proloog. Tsja, dat is wel een beetje makkelijk.

En wat is dan die ontdekkingstocht van Bregman?

Je hebt vast weleens gehoord van bekende psychologische onderzoeken, zoals het Stanford Prison experiment, de elektrische schokken van Stanley Milgram en het Bystander effect n.a.v. de moord op Catherine Genovese. Welnu, al die onderzoeken zijn door kritische wetenschappers opnieuw onder de loep genomen en Bregman neemt je mee naar wat daar werkelijk gebeurde. Het Prison Experiment blijkt meer weg te hebben van een geënsceneerd toneelstuk. Bij de schokken-machine geloofde meer dan de helft van de proefpersonen niet dat de schokken echt waren. Catherine Genovese kreeg wel degelijk moedige hulp van een buurvrouw, zij het te laat. En onderzoek van de Deense sociaal psychologe Lindegaard n.a.v. beveiligingscamera’s in grote wereldsteden laat zien dat in 90% van de gevallen mensen elkaar juist wel helpen! Misschien zag dat er ongeveer zo uit:

The lord of the flies, maar dan in het echt…

Helemaal smullen wordt het als Bregman beschrijft hoe hij een echte ‘Lord of the Flies’ op het spoor komt. In dit beroemde, fictieve boek spoelen een aantal jongens aan op een onbewoond eiland… En veranderen uiteindelijk in wilde dieren… aldus de korte versie. Bregman vraagt zicht echter af of zo iets misschien ooit in het echt gebeurd is en neemt je mee op zijn zoektocht. Uiteindelijk ontmoet hij in Brisbane de heren op leeftijd Mano Totau en Peter Warner. Mano Totau was één van de zes jongens die in 1965 met een gestolen vissersboot aanspoelden op het eiland ‘Ata in de Stille Oceaan en Peter Warner was de man die hen 14 maanden later aantrof in goede gezondheid en samenlevend in volmaakte harmonie. Het verhaal leest als een sprookje en Bregman zegt hierover: het werkelijke verhaal zou te zoet zijn voor Hollywood.

Klopt ons mensbeeld nog wel?

Het zijn onder andere dit soort onderzoeken en verhalen die ons mensbeeld hebben gevormd. Oh ja en het nieuws natuurlijk, dat we dagelijks krijgen voorgeschoteld en dat alles behalve representatief is voor het dagelijkse leven van de mensheid als geheel. En dan heb ik het nog niet eens over het ‘Filter-bubbel-effect’ waarbij we door de algoritme’s van sociale media voortdurend worden bevestigd in ons eigen gelijk. Zo vind jij het vast óók moeilijk om te geloven dat de wereld nog nooit zo veilig is geweest als nu. Toch laten cijfers zien dat dit het geval is. Uit Bregman’s boek komt dan ook een heel ander mensbeeld naar voren dan waar velen van ons in geloven, namelijk dat van een door en door sociaal en intrinsiek gemotiveerd dier dat waarschijnlijk het resultaat is van de ‘Survival of the friendliest’.

Voor de helderheid: dit is niet een verzinsel van Bregman. Zowel de psychologie, de biologie als de archeologie ontwikkelden de laatste decennia steeds meer consensus in de richting van dit hoopgevende mensbeeld en weten dit ook nog te onderbouwen. Bregman schuwt trouwens ook de moeilijke onderwerpen niet, zoals oorlog, corruptie, racisme en terrorisme. En ook daar blijkt de realiteit vaak anders dan je zou verwachten. Zo blijkt de gemiddelde soldaat het erg moeilijk te vinden om een tegenstander neer te schieten. Kortom: het lijkt erop dat ons mensbeeld aan een update toe is: waarschijnlijk deugen de meeste mensen. Helaas haalt dat zelden de media, want goed nieuws verkoopt niet. En ja, soms doen mensen ook dingen die niet deugen en die krijgen helaas heel veel podium. Best gevaarlijk, trouwens, want het brengt mensen die daar vatbaar voor zijn nogal eens op slechte ideeën.

Vraag niet of het waar is, maar vraag wat het gevolg is van je aanname

Hoe overtuigend het boek van Bregman ook is, uiteindelijk is heel moeilijk te bewijzen of de mens nu deugt of niet. Voor beide stellingen zul je bewijs vinden en het is dus ook heel lastig om iemand die er anders over denkt dan jij, van het tegendeel te overtuigen. Er bestaat echter ook zo iets als het Placebo-effect en – het omgekeerde hiervan – het Nocebo effect. De dingen worden vaak waar, juist omdat we ze geloven. Verwant hieraan is de Self-fulfilling prophecy: als iedereen gelooft dat een bank zal omvallen en daarom zijn geld opneemt… Ook deze effecten onderbouwt Bregman met fascinerende verhalen. Dus wat staat ons te doen als we willen dat mensen deugen? Het antwoord is simpel en heeft desondanks nogal grote implicaties als we het echt serieus zouden nemen. Het antwoord luidt: mensen behandelen alsof ze deugen.

Wat gebeurt er als je mensen behandelt alsof ze deugen?

Ach, dit heeft alleen maar implicaties voor hoe je de maatschappij, hoe je bedrijven en hoe je scholen effectief en menswaardig inricht…

Maar weet je, ik ben geen politicus noch organisatie- of onderwijsadviseur. ‘Schoenmaker blijf bij je leest’ blijft een mooi gezegde. Ik weet echter wel iets over coachende gespreksvoering. En ook daar speelt ons mensbeeld een belangrijke rol. Ook hier is het de vraag hoe we naar de intenties én de competenties van de coachee kijken. In literatuur en trainingen over Motiverende gespreksvoering wordt vaak Goethe geciteerd:

Als je iemand behandelt zoals hij is, zal hij blijven zoals hij is, maar als je hem behandelt alsof hij is wat hij zou moeten en kunnen zijn, zal hij worden wat hij zal moeten en kunnen zijn’.

En in Oplossingsgerichte gespreksvoering wordt vaak geadviseerd om de perceptie (de eigen waarheid) van de ander te respecteren en om bij negatief gedrag een gesprek te beginnen met: ‘Je hebt vast goede redenen om…’ Het is dan ook mooi om te zien dat onder deze methoden duidelijk de aanname te vinden is die de titel is van Bregman’s boek: De meest mensen deugen. Om dit abstracte gegeven iets concreter te maken heb ik drie adviezen voor elke coachende professional. Ze zijn niet nieuw, maar krijgen in het kader van Bregman’s boek wel een geheel nieuwe lading. Ze zijn ook niet per se waar, maar ik durf te stellen dat ze wel een groot verschil maken voor hoe mensen zich bejegend voelen en hoe zij zich vervolgens gaan gedragen. En pas als echt het tegendeel blijkt is het raadzaam om je aanname te herzien. Maar in elk geval weet je dan zeker dat jij dit gedrag niet zelf hebt opgeroepen…

Hier komen ze:

1. Ga ervan uit dat die ander de waarheid spreekt, al is het zijn of haar eigen waarheid.

2. Ga ervan uit dat de ander positieve intenties heeft

3. Ga ervan uit dat de ander competent is

Conclusie

Wat is nu mijn conclusie over het boek van Bregman? Is het een must read? Nou, als je dagelijks met mensen werkt (kinderen of volwassenen) en dus ook – bewust of onbewust – je beslissingen baseert op de intenties die je die mensen toedicht, dan zeg ik: wees ondeugend, leg onmiddelijk je werk neer en loop nu naar de boekwinkel!

PS: Vond je deze blog lezenswaardig? Wil je ook hoop en optimisme verspreiden? Deel dan ajb deze blog in je netwerk of plaats een comment!

Onlangs was ik 5 dagen in Dublin voor het wereld ACT-congres, samen met collega Jaantje Thiadens. Alle grote ACT-namen waren aanwezig en tjonge, wat hebben wij een boel inspiratie opgedaan! Hieronder deel ik één van de hoogtepunten met je. Als je liever wilt kijken & luisteren, klik dan op het YouTube filmpje hieronder.

Janina was 3 toen bij haar in de buurt de Chernobyl-ramp plaatsvond

Ik werd enorm geraakt door het verhaal en de workshop van Janina Scarlet. Zij was drie jaar oud toen bij haar in de buurt de kernramp van Tsjernobyl plaatsvond. Haar familie wist dat dit gebeurd was, maar besefte onvoldoende dat het drinkwater en lokale voedsel besmet was met radioactief materiaal. Dit had enorme impact op haar. Haar immuun-systeem kelderde en zij werd extreem gevoelig voor wisselingen in het weer. Zij kreeg heftige migraine aanvallen en zelfs beroertes. Een griepje betekende een week alleen in het ziekenhuis. Uiteindelijk bracht zij een groot deel van haar jeugd in ziekenhuizen door.

Geef jij soms licht in het donker?

Alsof dat niet genoeg was, kregen zij en haar familie te maken met extreme vooroordelen, waardoor het gezin genoodzaakt was te vluchten naar de VS. Het pesten hield echter niet op. Op de middelbare school werd zij door kinderen behandeld alsof ze besmettelijk was en vroegen kinderen haar of ze soms ‘licht gaf in het donker’. Ze voelde zich een freak en wilde op veel dagen het liefste maar dood zijn.

Toen ontdekte zij de X-men…

Op zeker moment raakte zij in de ban van superhelden. Vooral de serie X-men sprak haar aan, omdat de helden van deze serie mutanten zijn, die – net als zij – door radio-activiteit zijn aangetast. Vooral de superheldin ‘Storm’ fascineerde haar. Waarom? Omdat zij het weer kan controleren – precies wat Janina altijd andersom meemaakte, want het weer controleerde juist haar… Zij haalde enorm veel steun uit deze fantasie-wereld. Later studeerde zij af als psychologe en raakte zij bovenmatig geïnteresseerd in de kracht van fantasie, identificatie en voorbeeldfiguren in het therapeutische proces. Na heel veel onderzoek en praktijk-ervaringen ontwikkelde zij een bijzondere variant van ACT, genaamd Superhero Therapy. Hiermee hielp ze al met veel succes jongeren én volwassenen met depressie, angststoornissen en PTSD. Ze schreef verschillende publicaties en stond al op vele podia als spreker. In haar boek ‘Superhero Therapy’ (een soort zelfhulpboek voor jongeren in de vorm van een superhelden comic) maakt ze de ACT-vaardigheden heel toegankelijk en aantrekkelijk. Mindfulness noemt ze ‘Training the Hero’s mind’, defusie is ‘breaking the spell’ en bereidheid noemt ze: ‘The ultimate weapon – the sword of Willingness’.

‘Met jou ga ik dus echt niet praten!’

Een prachtige illustratie hoe deze therapie werkt is de volgende casus: een Keniaanse therapeut volgde bij haar een training. Het sprak hem aan, maar hij vroeg zich tevens af of hij wel op deze manier kon werken, want hij kende helemaal geen superhelden. Janina stelde hem gerust: ‘je hoeft alleen maar nieuwsgierig te zijn naar de superhelden van de jongere waarmee je werkt. Kort daarna sprak hij een beschadigd meisje van 15 met een heel verleden van pleeggezinnen dat na twee seconden al zei: ‘Met jou ga ik dus echt niet praten!’ Hij liet zich niet uit het veld slaan en zei: ‘Ok, geef me één kans… Als ik het je echt niet bevalt, zal ik je niet meer lastig vallen’. Het meisje ging schoorvoetend akkoord en de eerste vraag die hij stelde was: ‘Ik wil je graag wat beter leren kennen… Is er misschien een serie die je graag kijkt met daarin een of andere superheld? Het meisje – lichtelijk verbaasd over deze vraag – antwoordde: ‘Ja, ik vind Ant-man wel cool, hoezo?’ De therapeut: Ok, Ant-man… ik ken hem niet, vertel eens wat meer over hem? Het meisje: ‘Ant-man kan krimpen tot de grootte van een mier…’ De therapeut:  ‘en waarom vind je dat mooi?’ Het meisje: ‘Er zijn heel veel situaties waarin ik dat soms ook wel zou willen’. Een lang verhaal kort: het werd een mooi gesprek dat uitmondde in een nuttig therapeutisch traject.

Wat ik zo mooi vind aan Superhero Therapy

Wat ik zo mooi vind is dat deze benadering de kracht van de fantasie optimaal benut. Het praten over superhelden biedt eigenlijk een metafoor die gemakkelijk op maat te maken is en die de harde dagelijkse realiteit hanteerbaar maakt. Ondertussen wordt de jongere subtiel in de rol van superheld geplaatst. Het kan zo maar gebeuren dat een jongere als ‘slachtoffer’ aan de coaching / therapie begint en er als superheld weer uit komt. Het verbindt voor mijn gevoel ook de kracht van de wondervraag uit het Oplossingsgerichte werken met de rijke toolbox-for-life, genaamd ACT.

Superheld-vragen die je kunt stellen

Ik ben zeker geen expert op dit vlak, maar met wat ik weet van ACT en coaching i.h.a. kan ik me voorstellen dat je dit soort open vragen kunt stellen aan een jongere die daar voor open staat:

  • Naar welke serie / films kijk je graag?
  • Wie vind jij een coole superheld?
  • Op welke superheld zou je wat meer willen lijken? Waarom?
  • Wat zou [superheld x] doen in de situatie waarin jij nu zit?
  • Wat haal je hieruit voor jezelf?
  • Wat zou jij kunnen doen?
  • Wat is eigenlijk jouw ‘origin-story’?
  • Wat heb je hiervan geleerd?
  • Welke super-powers moest jij ontwikkelen om deze lastige situatie / periode goed door te komen?
  • Welke super-powers zou je (nog verder) willen ontwikkelen?
  • Als coach / therapeut is het mijn taak om jongeren zoals jij wat extra super-powers mee te geven… Wil je weten welke ik zoal in de aanbieding heb?
  • Elke superheld heeft ook een zwakte, zoals ‘Kryptonite’ bij superman. Dat maakt hem niet minder als superheld, maar het is wel belangrijk dat hij deze zwakte kent. Hoe zit dat bij jou?
  • Hoe kun je hier zo mee omgaan dat je er minder / geen last van hebt?
  • Elke superheld heeft ook een soort missie. Wat denk je dat jouw missie is?
  • Wat is er voor nodig om je missie te volbrengen?
  • Wat kan een eerste, kleine stap zijn?
  • Van welke superheld zou ik iets kunnen leren denk jij?
  • Welke superpower zou mij tot een betere therapeut / coach maken?
  • Hoe kan ik voor jou een goede mentor zijn en je helpen om je missie te volbrengen?

Ik ben heel benieuwd wat je van deze blog en vooral van Janina en haar Superhero Therapy vindt. Laat het me vooral weten in een comment hieronder!

Werk je al (deels) op deze manier? Deel vooral je ideeën en ervaringen!

Wil je hier meer over weten? In het najaar verzorg ik een driedaagse Verdiepingstraining ACT en ik ben voornemens om daarin ook aandacht te besteden aan Superhero Therapy!

 

We zien onze collega’s soms meer dan onze dierbaren. Bovendien nemen we ons werk op de een of andere manier ook vaak mee naar huis. Reden genoeg om te zorgen dat je op je werk een beetje gelukkig bent, toch? En dan hebben we het nog niet eens gehad over het feit dat gelukkige werknemers beter presteren en minder vaak ziek zijn. In deze blog lees je mijn ups en downs rondom werkgeluk en leer je hoe je jouw eigen werkgeluk drastisch kunt verhogen!

Ik geef mijn werkgeluk een 9, maar dat is zeker niet altijd zo geweest

Van 2001 tot en met 2016 heb ik in het reclasseringsveld gewerkt. Globaal gezien kijk ik daar met veel plezier op terug; ik heb er veel momenten van voldoening ervaren en ontzettend veel geleerd. Er waren zelfs momenten dat ik dacht: ‘’Tsjonge, dat ik hier voor wordt betaald… ik zou dit ook gratis doen!’ Zoals toen we in een tof team met een aantal jongvolwassen ex-gedetineerden gingen kanoën, klimmen en trommels bouwen… Ondertussen leerden we hen belangrijke levenslessen over samenwerking, zelfbeheersing en communicatie.

Rond 2007 kwam ik echter in een flinke dip terecht. Ik werkte toen bij een project dat – onder toeziend oog van het Ministerie van Veiligheid en Justitie – de opdracht had om een nieuwe training te ontwikkelen: Cognitieve vaardigheden voor ex-gedetineerden met een licht verstandelijke beperking. De training moest 36 bijeenkomsten omvatten en zo veel mogelijk evidence-based zijn. Ga er maar aan staan! We werkten in een nieuw team met de nodige spanningen, onder hoge tijdsdruk en met onduidelijke kaders. Terwijl we de training ontwierpen voerden we hem ook uit. Dus soms werkten we op vrijdag aan de bijeenkomst die maandag in een gevangenis zou worden gegeven. Zelf had ik een senior-functie, veel relevante kennis en ervaring en ik voelde me – zo bleek achteraf – veel te verantwoordelijk. Ik ervoer heel veel druk en weinig autonomie.

Alsof mijn bordje niet vol genoeg was kwam er thuis ook een tegenslag. Mijn tweede kind, een zoon dit keer, werd geboren met enkele medische complicaties. Tijdens zijn eerste maand lag hij twee keer in het ziekenhuis. En ja, het onvermijdelijke gebeurde: ik kwam in een (lichte) burn-out terecht. Ik was doodmoe, voelde me down en zag het allemaal nogal somber in.

In deze tijd was het werkplezier ver te zoeken, dat snap je

En toch was het juist werkplezier dat me ook weer hielp uit dit dal te klimmen. Blijf nog even, dan leg ik het je uit. Ik was natuurlijk flink geschrokken en wilde niet alleen uit dit dal klimmen, maar liefst ook voorkomen dat dit nog eens zou gebeuren. Dus ik voerde wat gesprekken hier en daar. Ik maakte lange wandelingen in mijn uppie. En ik schreef hele dagboeken vol. En oh ja, ik volgde ook nog een mindfulness cursus.

Het werkte: stap voor stap ging ik weer zien en vooral voelen waarvan ik tot leven kwam. Er ontstond een nieuwe richting. Nog half in de burn-out besloten mijn vrouw en ik terug te verhuizen naar Rotterdam, onze beider geboorteplaats. En – het klinkt onlogisch, ik weet het – binnen een maand schreef ik me ook nog even in bij de Kamer van Koophandel. Naast mijn baan, die ik ondertussen weer had opgepakt, wilde ik ook graag een eigen bedrijfje starten. Het is geen standaard recept bij een burn-out: ga verhuizen en start een bedrijf naast je baan! En toch werkte het: ik kreeg weer levenslust en knapte langzaam maar zeker steeds verder op.

Ik volgde een opleiding tot mindfulness-trainer en begon in het plaatselijke buurthuis een ‘Mindfulness-oefengroep’. Ik kreeg zelfs zo de smaak te pakken dat ik mijn leidinggevende vroeg of ik iets mocht doen wat eigenlijk helemaal niet bij mijn functie hoorde: een Mindfulness-training geven in de gevangenis. Ik kreeg niet alleen toestemming (als je dit leest: nogmaals dank voor je vertrouwen, BvdE!), maar we vonden zelfs een gevangenis die ons – bij gebrek aan een zomerprogramma – toestond om een pilot Mindfulness-training te geven. En daar in die gevangenis vond ik mijn werkgeluk weer!

Het klaver 4 model

Klaver 4 model – overgenomen met toestemming

Laten we nu eens een theorie over werkgeluk erbij pakken, bijvoorbeeld het Klaver 4 Model dat  Lieke Bezemer beschrijft in haar boek ‘Werkgeluk werkt!’ Mijn verhaal sluit één-op-één aan op dit model: Ik deed iets waar ik voor 100 % in geloofde bij mensen die dit heel goed konden gebruiken [Betekenis], buiten de gebaande paden [vrijheid], waarbij ik mijn talenten mocht inzetten [Talenten] samen met twee like-minded collega’s [Relaties].

En nu even 8 jaar fast forward: ik werk nu als zelfstandig trainer en coach en doe het werk dat ik het liefste doe [Vrijheid], met mijn favoriete collega-ZZP’ers [Relaties], ik geloof dat we de wereld een klein stukje mooier maken [Betekenis] door onze kennis, ervaring en skills in te zetten [Talenten]… Nu snap je waar die huidige ‘9’ vandaan komt!

En nu over naar jou…

Ik wil je graag helpen om je werkgeluk – indien je dat wenst – te verhogen!

Volg simpelweg onderstaande vier stappen:

Stap 1: Scoor jezelf eens op deze vier facetten van werkgeluk:

Betekenis:          0 |————————————————————————–| 10

Vrijheid:             0 |————————————————————————–| 10

Talenten:            0 |————————————————————————–| 10

Relaties:             0 |————————————————————————–| 10

Stap 2: Kies er nu eens één uit die je wilt verhogen en stel jezelf de vraag: Wat gaat er desondanks al goed op dit gebied? Wat maakt dat je het geen 0 geeft? (Dat hoop ik tenminste)

Stap 3: Misschien hoeft het geen 10 te worden… Met welk cijfer zou je tevreden zijn? Hoe ziet de situatie er dan uit? Wat is er dan anders?

Stap 4: Hoe ziet op de schaal één stap hoger dan nu eruit? Wat zal je volgende, kleine stap in de goede richting zijn? En wat zullen de eerste signalen zijn waaraan je merkt dat er vooruitgang is?

Heb je de vragen echt beantwoord? Gefeliciteerd! Jij neemt je werkgeluk serieus en dat juich ik enorm toe, want geluk is besmettelijk! Als je later tijd hebt, doe het dan nog een keer met één van de andere 3 facetten.

Spreekt deze manier van werken aan vooruitgang je aan? Ik heb simpelweg vier oplossingsgerichte vragen gesteld. Oplossingsgericht coachen is een methode waarvan onderzoek laat zien dat het de kans op burn-out vermindert! En uit eigen ervaring en die van vele coachende professionals weet ik ook dat het je werkplezier enorm doet toenemen. Daarom gaat mijn tweede boek over deze methode!

De vier werkgeluk-vergroters:

Om je nog een stapje verder te helpen heb ik – per klaverblad – een persoonlijke tip voor je. Hier komen ze:

  1. Betekenis: sta eens stil bij de vraag hoe jij het leven van andere mensen (of dieren) verbetert. Haal eens enkele van die mensen voor de geest of stel je ze levendig voor. Denk eens terug aan momenten van dankbaarheid bij die ander, de momenten waar je het voor doet. Hoe kun je meer van dit soort momenten creëren?
  1. Vrijheid: we zien vrijheid vaak als iets om te krijgen, maar het is eerder iets dat je kunt verwerven. Als je bijvoorbeeld laat zien dat je meer durft en aankunt, verwerf je daarmee vaak ook meer vrijheid. Vrijheid gaat ook over je stem laten horen en het podium durven pakken. Ben je bijvoorbeeld enthousiast over één van onze methoden? Trommel wat collega’s bij elkaar en vertel ze wat je hebt geleerd – daar worden zowel jijzelf als je collega’s beter van!
  1. Talenten: maak eens onderscheid tussen de talenten/sterke kanten die je energie kosten en de talenten/sterke kanten die je energie geven. Onderzoek of je je kunt ontwikkelen in de richting van de tweede groep, die zullen je waarschijnlijk gelukkiger maken dan de eerste groep. De eerste groep heb je waarschijnlijk ooit noodgedwongen moeten aanleren en dat is prima, maar genoeg is genoeg. Zoals Joseph Campbell zei: follow your bliss!
  1. Relaties: soms hopen we – onbewust – in relaties (thuis of op het werk) iets te krijgen. Denk hierbij aan erkenning, empathie, aandacht, energie. Maar relaties zijn veel meer een plek om te geven, want daarvan worden we uiteindelijk het gelukkigst. Als je daarop focust zul je verrast zijn over wat je – als een onverwachte bonus – terugkrijgt!

Wil je duurzaam investeren in je eigen werkgeluk? Overweeg dan eens onze Jaartraining PECAN: Positief, Effectief Coachen anno Nu! In 11 dagen, verspreid over een jaar, leer je drie bewezen, effectieve methoden uit de Positieve Psychologie: Motiverende gespreksvoering, Oplossingsgericht coachen en Coachen met ACT en Mindfulness. Telkens weer zien wij onze deelnemers tijdens dit jaar enorm groeien, zowel in zelfvertrouwen als in (werk)geluk. Ook jij ben van harte welkom!

Vond je deze blog nuttig? Please share!

Vind je er iets van? Laat een reactie achter, ik ga graag het gesprek aan!

Onlangs volgde ik een tweedaagse workshop bij Sue Young.

Zij reist de hele wereld over om docenten te leren hoe zij op een oplossingsgerichte manier een klimaat kunnen scheppen waarin pesten niet langer een probleem is. In een vorig leven was zij docente in de havenstad Hull, een ruige stad met veel problemen en de laagste inkomens van de UK.

Nog vóór zij van de Oplossingsgerichte aanpak hoorde, bedacht ze: ‘Wacht even: als we willen dat pesten stopt, dan moeten we misschien eerst bedenken wat we in de plaats willen van pesten…’ Zij zag namelijk te vaak gebeuren dat er een pest-probleem werd gesignaleerd, dat iedereen in rep en roer was, dat er groots werd uitgepakt om het pesten z.s.m. te laten stoppen, met als resultaat… dat het pesten toenam.

Wat je aandacht geeft groeit

Zo had ze nog een aantal overtuigende en tegelijk schrijnende voorbeelden:

Tienerzwangerschappen stoppen met grootschalige voorlichting? Ze namen toe.

Criminaliteitspreventie door schoolkinderen een kijkje te laten nemen in de gevangenis? De jeugddetentie nam toe.

Schorsingen en spijbelen? Wacht laten we eerst grondig de oorzaak onderzoeken, zodat… Beiden namen toe.

Had ik al gezegd dat wat je aandacht geeft, groeit?

Ok, maar hoe moet het dan?

Wel, het goede nieuws is dat aandacht ook de goede dingen laat groeien, alleen moeten we heel helder hebben wat ‘de goede dingen’ precies zijn. Wat wil je in de plaats van het pesten?

Haar ervaring is dat docenten – als ze daar in een ontspannen sfeer de tijd voor nemen – het snel eens worden over het antwoord op deze vraag: een vriendelijke atmosfeer, waarin leerlingen elkaar steunen, accepteren en in hun waarde laten, zodat iedereen zich veilig voelt en zichzelf durft te zijn.

Vervolgens kun je met elkaar brainstormen over vragen als:

  • Wanneer zien we nu al kleine signalen van deze gewenste situatie?
  • Hoe kunnen we die versterken?
  • Wat heeft eerder al goed gewerkt?
  • Hoe kan elke betrokkene (docent, leerling, ouder, staf) hieraan een steentje bijdragen?
  • Waarbij kunnen we hulp vragen aan ouders en leerlingen?
  • Wat zullen de eerste signalen zijn waaraan we straks zullen merken dat het de goede kant uitgaat?
  • Hoe kunnen we die vooruitgang vieren?

Sue Young is ook de ontwikkelaar van de Support-group aanpak. Hierbij organiseert zij rondom een kind dat wordt gepest een support-groep bestaande uit: enkele vriendjes, enkele omstanders en ja wel: enkele voormalige pesters. Alleen worden die laatsten nooit als zodanig benaderd. Er wordt ze simpelweg verteld dat het kind in kwestie momenteel niet zo gelukkig is en vervolgens vraagt Sue of ze haar willen helpen om het kind zich weer gelukkig te laten voelen. Het antwoord is vrijwel altijd ‘ja’…

Hoe dit komt? Ik vermoed doordat er niemand beschuldigd wordt van ‘pesten’ en doordat – in plaats daarvan – het kind dat voorheen pestgedrag vertoonde wordt gevraagd om iets heel moois te doen, namelijk een ongelukkig iemand weer gelukkig maken. De eerste die met een idee komt (‘Ik kan Anny bij de poort opwachten en haar een goeie dag wensen!’) wordt door Sue trouwens steevast met erkenning en complimenten ontvangen. Hierna volgen snel meer ideeën: ‘Ik kan bij haar gaan zitten tijdens de lunch!’, ‘Ik kan haar uitkiezen bij gym!’

Ik kreeg letterlijk tranen in mijn ogen bij al haar verhalen.

Wat je aandacht geeft groeit.

Als je nu denkt: ‘dit klinkt te mooi om waar te zijn’, weet dan dat Sue die reactie heel vaak heeft gekregen. In een wereld waarin lineaire causaliteit de norm is, kunnen we maar moeilijk bevatten dat de realiteit vaak een circulair systeem is waarbij alles invloed heeft op alles. Zelfs Sue kon haar succes in het begin nauwelijks geloven. Totdat een opdrachtgever haar vroeg: ‘show me your numbers’. Ze begon te meten en ontdekte: bij de eerste 50 supportgroepen die ze deed nam bij 80 % stopte het pesten vrijwel meteen volgens de ouders, school en de leerling zelf. Bij 14 % waren er tussen 1 en 5 sessies nodig voordat verbetering optrad en bij 6 % was er sprake van een lichte verbetering, maar ook van terugval. Vermoedelijk voldoet dit onderzoek niet aan de hoogste wetenschappelijke standaard, maar het mag m.i. op zijn minst veelbelovend worden genoemd.

Het meest overtuigend voor haar zelf waren de kinderen die zij sprak en de ouders van wie het kind na de interventie weer blij en zonder buikpijn naar school ging.

Pas na het overlijden van grondlegster Insoo Kim Berg ontdekte Sue Young dat Insoo haar aanpak altijd openlijk had gesteund, iets wat zichtbaar veel voor haar betekende.

Sue’s levenswerk illustreert maar weer eens mooi het oplossingsgerichte adagium dat de oplossing vaak niets te maken heeft met het probleem.

Wil je meer weten over haar aanpak? Voor 12,50 koop je haar boek. En hier zie je haar op Youtube.

Wil je meer weten over Oplossingsgericht Coachen? Klik dan hier.

Vond je deze blog nuttig? Please share!

Vind je er iets van? Laat een reactie achter, ik ga graag het gesprek aan!

Laatst coachte ik een vrouw die graag dagelijks thuis mindfulness wilde beoefenen. De keren dat ze het deed hadden haar echt goed gedaan. En toch kon ze zich er heel vaak niet toe zetten. Meestal wonnen Netflix of het comfort van haar bed het van haar meditatiekussen. Bovendien had ze een héél druk leven.

Al pratende werd snel duidelijk wat haar dwars zat. Je zou het perfectionisme kunnen noemen. Ze zei dingen als: ‘ik moet minimaal 25 minuten zitten, anders zet het geen zoden aan de dijk’.

‘In welk wetboek staat dat geschreven?’, zo vroeg ik haar.

Dat kon ze me niet vertellen, dus blijkbaar was het haar eigen ‘wetboek’.

En nu ‘zat’ ze zo zelden dat het zeker geen zoden aan de dijk zette!

‘Vergeet even je wetboek, zei ik, welk aantal minuten kun je met gemak dagelijks vrijmaken om te mediteren?’

‘Vijf minuten zou wel moeten lukken, zo zei ze, maar heeft dat zin dan?’

Ik weer: ‘Meer zin dan één keer per week vijfentwintig minuten, zoals je nu doet.’

Het gesprek ging nog even door en aan het eind committeerde ze zich aan vijf minuten per dag. En een week later kreeg ik een trots appje waarin stond dat ze elke dag had gemediteerd met een gemiddelde van een kwartier.

Wat zij in haar hoofd deed, doen volgens mij heel veel mensen: we maken de verandering te groot of te perfect. Dingen moeten in één keer lukken anders hoeft het niet. Het is alles of niks.

En de realiteit is dan meestal: niks…

Dit is echt jammer, want het is eigenlijk heel simpel: als je een nieuwe gewoonte wilt ontwikkelen, begin dan gewoon belachelijk klein, zó klein dat je denkt dat het zinloos is. Het gaat namelijk om het feit dat je begint.

Want dat levert sowieso iets moois op:

  • Misschien bevalt het en ga je nog even door
  • Misschien krijg je een andere, positievere reactie van je omgeving
  • Misschien groeit je zelfvertrouwen
  • Misschien leer je iets nuttigs
  • Misschien is dit het begin van een nieuwe, heilzame gewoonte

Je kunt dit oplossingsgerichte principe op zó veel gebieden toepassen:

Wil je ‘s ochtends koud afdouchen? Begin met alleen je handen of draai de kraan een tikje frisser.

Wil je beginnen met hardlopen? Trek ’s ochtends al je sportschoenen aan en jog gewoon een stukje als je toch de hond uitlaat / boodschappen gaat doen / naar je auto loopt. Ziet er nog hip uit ook!

Wil je je schulden afbetalen? Begin met de allerkleinste schuld.

Wil je gezonder eten? Begin met één maaltijd per week.

Wil je je relatie met een dierbare verbeteren? Begin met kleine attenties, zoals een aardig appje / briefje / kaartje.

Wil je naar de sportschool, maar lukt dat niet? Doe thuis 5 squats, 5 push-ups en 5 sit-ups en geef je zelf 5 schouderklopjes!

Wil je de sfeer in een team verbeteren? Begin elk overleg met 5′ kleine succesjes delen vanuit de vraag: wat zijn ook al weer de kleine, alledaagse dingen waar we het voor doen?

En voor je het weet is dit het resultaat:

https://www.youtube.com/watch?v=5JCm5FY-dEY&t=11s

Rita baily, de voormalige HR-directeur van South West Airlines zei het mooi:

Start wherever you are and start small!

Ben jij een coachende professional en wil je leren hoe je mensen kleine stappen kunt laten zetten richting grote doelen? Volg een driedaagse basistraining Oplossingsgericht Coachen. De basis al gedaan? Doe dan onze driedaagse verdiepingstraining!

Huh? Trainen als een tijger(in)?

Moet ik dan elke morgen voor de spiegel tegen mezelf zeggen: ‘Hello Tiger, I love you!’…?

Nee, dat is wel héél erg jaren tachtig… Wees gerust, ik bedoel iets heel anders!

Stel je eens een paar jonge welpjes voor die – met hun vader of moeder veilig en oplettend in de buurt – aan het stoeien zijn met elkaar. Ze buitelen over elkaar, zitten elkaar achterna en laten elkaar schrikken. Af en toe worden zij door hun vader of moeder gecorrigeerd als ze het al te bont maken. Wat zijn zij eigenlijk aan het doen? Het antwoord ligt voor de hand: zij zijn aan het leren om een tijger of tijgerin te worden. Spelenderwijs leren ze alles wat daarbij hoort: jagen, grenzen aangeven, aanvallen en verdedigen, vallen en opstaan.

Misschien zie je niet dagelijks stoeiende welpjes, maar denk dan eens aan puppy’s, kittens of om het even welk jong zoogdier. Ik vind dit altijd heerlijk om naar te kijken en ik geloof dat zo’n schouwspel veel zegt over hoe mensen snel, effectief en plezierig kunnen leren. Vergeet niet dat wij – biologisch gezien – ook zoogdieren zijn en dat een deel van ons brein nog steeds sterk op dat van zoogdieren lijkt. Het mooie van spelenderwijs leren is niet alleen dat het plezierig en uitdagend is, maar ook dat er vaak onmiddellijke feedback plaatsvindt: je ontdekt meteen of iets wel of niet voor je werkt.

Als we nu de tijger(in)-met-spelende-welpjes vertalen naar een groep mensen in een trainingsruimte, dan zie ik de volgende overeenkomsten: er is een trainer die zorgt voor een veilig leerklimaat, waarin mensen kennis en ideeën kunnen uitwisselen en met elkaar kunnen sparren. Af en toe zet de trainer iemand weer ‘op het juiste spoor’. Er is veel interactie met peergroep-genoten waarbij deelnemers al experimenterend ontdekken wat wel en niet voor ze werkt. Natuurlijk laat je als trainer je deelnemers niet aan hun lot over, maar je wilt ze ook niet te veel op de huid zitten. Mijns inziens is het de kunst om hier voor elke groep de juiste balans in te vinden en in elk geval beschikbaar te zijn.

Natuurlijk zijn wij niet alleen maar een zoogdier. Zo hebben wij naast een reptielen- en zoogdierenbrein ook een mensen-brein, oftewel een neo-cortex. Hiermee kunnen we verfijnd communiceren, abstracte dingen begrijpen, logisch nadenken, creatieve oplossingen bedenken, evalueren, vooruitkijken, plannen, feedback geven en ontvangen, betekenis geven aan dingen. Hoewel je deze dingen in principe allemaal in je eentje zou kunnen doen, zijn ze zo veel leuker en effectiever met een groep mensen die min of meer hetzelfde willen leren als jij. Ons brein is een enorm sociaal orgaan, dat pas echt ‘wakker’ wordt in verbinding en interactie met anderen. Denk maar eens terug aan je eigen ervaringen met het volgen van trainingen. Waarschijnlijk vind jij het ook prettig om te kunnen sparren met de trainer en je mede-deelnemers? Ook het sociaal constructivisme onderschrijft het belang van sociaal leren. Er is een mooie Loesje- uitspraak die deze leer-filosofie in één pakkende zin uitlegt:

‘Kennis maak je met elkáár’.

Hopelijk heb ik je voldoende overtuigd om in je trainingen – indien nodig – nog meer interactie te stimuleren. Hier volgen een aantal tips die je daarbij kunnen helpen:

1. Vertel niets wat je ook kunt ontlokken aan de groep.

2. Stel regelmatig vragen aan de groep. Vraag naar relevante kennis, ervaringen, successen en mislukkingen. En ja, bij die laatste helpt het als je zelf eerst gaat.

3. Als een deelnemer een vraag stelt: geef niet altijd meteen antwoord maar stel soms een tegenvraag of benadruk dat het een interessante vraag is en leg hem vervolgens in de groep.

4. Laat mensen regelmatig ‘buzzen’: in een tweetal kort uitwisselen wat voor hen tot nu toe nuttig was, wat ze hebben geleerd of ingezien, wat ze gaan toepassen, etc. Het mooie van deze simpele werkvorm is dat je hem net zo goed kunt inzetten bij een groep van 15 als bij 150 mensen. Tijdens die 5 minuten leren je deelnemers actief en jij hebt een momentje rust!

5. Laat mensen zelf conclusies trekken na een leerervaring, verhaal, of project. Vraag simpelweg plenair: ‘Wat hebben jullie hier van geleerd?’

6. Laat mensen in subgroepen brainstormen over een bepaalde vraag en laat per groep één iemand spion zijn en bij de andere groepen ‘spioneren’, laat iemand anders schrijven en laat weer twee anderen presenteren. Zie je alle interactie voor je?

7. Laat mensen het geleerde creatief verwerken: maak een gedicht, rap, lied, tekening, verhaal, metafoor, zoek een symbool, filmpje, bedenk de toepassing. Vervolgens laat je ze kort aan elkaar hun vondsten presenteren.

Kortom: ons brein is een bijzonder sociaal orgaan dat houdt van spelen, sparren, uitwisselen en creëren. De kunt is om als trainer een veilige setting te scheppen waarin dit kan plaatsvinden, net als een tijger(in) doet bij haar welpjes.

Brain-friendly trainer Kimberly Hare zegt het zo: ‘Don’t be a sage on the stage, but a guide on the side!’

Wil jij het trainersvak in één keer goed leren? Doe dan nu mee aan onze Basis Train-de-trainer!

Heb je al ervaring als trainer, maar behoefte aan nieuwe inspiratie? Volg dan hier gratis de cursus Breinvriendelijk Trainen!

Vond je dit artikel interessant? Please like, comment or share!

Een tijdje terug zat ik heel ongelukkig in een training.

Het was de bedoeling dat ik de Autoresponder die ik had aangeschaft leerde gebruiken, maar ik snapte er geen bal van. Om mij heen was iedereen lekker aan het werk, maar ik liep volledig vast. De trainer om hulp vragen is niet mijn eerste reflex, maar nu moest ik wel. Zijn uitleg duurde 1 minuut en vanaf dat moment was ik weer volledig aangehaakt en kon ik eindelijk ook aan de slag. Zijn uitleg luidde als volgt: ‘Het is met dit systeem alsof je iets gaat bouwen van lego-blokjes. Alleen… je moet eerst de blokjes zelf creëren, bijvoorbeeld door iets aan te maken of te schrijven. Dat is het meeste werk. Als je dat eenmaal hebt gedaan kun je met die blokjes iets moois gaan bouwen…’

Oké ik geef toe: als het aankomt op ICT-toepassingen dan ben ik niet de snelste leerling. Maar waar het hier om gaat is dat deze trainer met één simpele metafoor mij precies de informatie gaf die ik nodig had om het gebruik van dit systeem te snappen. Door deze en andere ervaringen én door een train-de-trainer in breindidactiek ben ik een groot voorstander geworden van ‘visueel trainen’.

Visueel trainen = praten met beelden

Visueel trainen betekent dat je – naast tekst – ook veel beeld gebruikt. De reden hiervoor is simpel: één beeld zegt meer dan duizend woorden. In ons brein zie je deze voorkeur voor beeld ook terug: ons visuele zintuig neemt net zo veel breincapaciteit in als alle andere zintuigen bij elkaar! En ook uit onderzoek blijkt dat juist de combi van woord en beeld heel krachtig is.

Eerder schreef ik al over het gevaar van te veel zenden als trainer. Toch ontkom je niet aan enige kennis-overdracht. De kunst is dan ook om dit kort en impactvol te doen. Daarom is min tip: als je zendt, haal er dan het maximale uit door het visuele zintuig van je trainees aan te spreken. Gelukkig kan dat op talloze manieren, bijvoorbeeld met:

  • Eenvoudige tekeningen
  • Een filmfragment
  • Een live demo
  • Theatrale expressie, zoals kort een situatie of typetje neerzetten
  • Beeldend taalgebruik

Hieronder neem ik er enkele met je door die ik zelf vaak inzet.

Uitleg met simpele tekeningen

Sinds een paar jaar heb ik de flip-over opnieuw ontdekt en ben ik super simpele tekeningen gaan gebruiken in mijn presentaties. Het leuke van tekenen is dat je alleen een flipover en een paar stiften nodig hebt. Als ik vroeger een training gaf en de beamer haperde, dan schoot ik meteen in de stress, maar sinds ik vaker teken weet ik dat ik alle concepten ook razendsnel op een flip-over kan zetten. Ik krijg vaak terug dat mensen het waarderen, omdat het de dingen simpel en aansprekend maakt. Maar waarschijnlijk ook vanwege de extra moeite die ik voor ze doe. Ik noem dit het ‘verse-broodjes-effect’. Een vers gebakken broodje bij een bakker smaakt nu eenmaal lekkerder dan een fabrieksbroodje.

Natuurlijk dacht ik in het begin – net als jij misschien – dat mijn tekeningen ‘mooi’ moesten zijn. Dit is echter helemaal niet nodig, beter van niet zelfs! Je tekent namelijk niet om je deelnemers te imponeren, maar om ideeën te communiceren en je inhoudelijke boodschap visueel te ondersteunen. Hierbij helpt het als je tekenen – naast een kunstvorm – ook als een leuke taal gaat zien. Misschien heb je zelfs al gemerkt dat die taal sterk in opkomst is? Op internet zie je steeds meer simpele tekeningen en symbolen, veel café’s en hippe ondernemers doen aan ‘hand-lettering’ en bij grote meetings zie je soms iemand die Sketch-notes maakt op een heel groot vel papier.

Gebruik van je lichaamstaal

Als je weer eens aan het surfen bent op het internet, check dan eens de TED-talk van Ernesto Sirolli. Hij gebruikt geen PowerPoint of Prezi, maar weet met zijn mimiek en lichaamstaal de kijker van begin tot eind te boeien. Hij vertelt vol schaamte hoe hij als ontwikkelingswerker in een afrikaans land middels een westers model een tomaten-plantage tot stand liet brengen. Hij had destijds een houding van: ‘dat die mensen daar zelf niet op zijn gekomen… de grond hier langs de rivier is uiterst vruchtbaar!’ Dan vervolgt hij: ‘En toen kwamen de nijlpaarden die in tien minuten de hele oogst verorberden…’. Ik heb deze lezing enkele jaren geleden gezien en die nijlpaarden zie ik nog steeds voor me!

Ook Nederlands best betaalde trainer Remco Claassen doet het graag zonder Powerpoint. Hij zegt daarover: ‘Deel nooit het podium met iets dat meer licht geeft dan jij zelf’ ’. Een mooie manier waarmee hij zijn verhaal ondersteunt is door gebruik te maken van zijn plaats in de ruimte. Remco is hierin een ware meester en hij raadt ons bijvoorbeeld aan om heel bewust gebruik te maken van een plaats op het podium voor ‘het verleden’ (voor de kijker links) en een plaats voor ‘de toekomst’ (rechts). Hierdoor ontstaat automatisch een beweging in de – voor ons logische – leesrichting, dus van links naar rechts. Dit vraagt dus wel dat je het als trainer zelf precies andersom doet. Dit voelt voor jou dan onlogisch, maar is voor je publiek juist heel helder en ondersteunend.

Beeldend taalgebruik: metaforen

Stel je eens voor dat je zittend op je handen een zaal vol mensen zou moeten boeien…

Is dat mogelijk?

Het antwoord is: ja. Je kunt namelijk door middel van je taalgebruik allerlei beelden oproepen. Kijk maar eens naar de openingszin van deze paragraaf. Zie je het voor je? Jij zittend op je handen voor een zaal vol mensen? Grappig hè! Hoe zorg je nu voor beeldend taalgebruik? Met name metaforen zoals die in de intro lenen zich hier uitstekend voor, want dat zijn vaak hele beeldende vergelijkingen.

Metaforen hebben als voordeel dat ze complexe zaken in één klap kunnen verhelderen. Zo legt Ed Hallowell (een Psychiater die zelf ADHD heeft) als volgt aan ouders en kinderen uit wat ADHD inhoudt en hoe zijn behandeling daarbij kan helpen: “ADHD is een brein als een Ferrari-motor, maar met de remmen van een fiets… Als je de remmen weet te verbeteren dan kun je een kampioen worden! En ik kan je leren remmen…”

Een mooie metafoor om als trainer te kennen is het krabbenmand-effect: het schijnt zo te zijn dat als een visser op een traditionele markt een mand vol krabben heeft, hij er echt geen deksel op hoeft te zetten, want zodra een krab probeert ‘te ontsnappen’, trekken de andere krabben hem weer terug in de mand. Komt dit fenomeen je bekend voor? Heb je weleens gemerkt dat als iemand oprecht probeert te veranderen dat de omgeving (collega’s, partner, vrienden) dit vaak een beetje tegen werken? ‘Oh, je bent zeker op cursus geweest!’, zeggen zij dan. Dit fenomeen is goed te verklaren, want als deze persoon verandert, dan heeft dat gevolgen voor de anderen. Misschien lopen zij nu achter, of moeten zij zelf óók aan de bak. Je kunt je deelnemers hiertegen ‘wapenen’ door hen te vertellen over het krabbenmand-effect, zodat zij hierop kunnen anticiperen.

Als je beeldend taalgebruik wilt inzetten, dan helpt het enorm als je – ter voorbereiding van je presentatie – al in beelden gaat denken. Dit kun je stimuleren door meteen te gaan schetsen als je aantekeningen of een mind map maakt ter voorbereiding. Als je graag een spiekbriefje of cue-cards gebruikt tijdens je verhaal (en daar hoef je je echt niet voor te schamen) overweeg dan eens om hier plaatjes in op te nemen i.p.v. alleen tekst. Ook dit helpt om de beelden voor je te zien. Daardoor wordt je presentatie automatisch meer beeldend!

Tot zover enkele simpele manieren om je training visueler te maken.

En PowerPoint dan?

Misschien vraag je je nu af: ‘Maar mag ik dan nooit meer een Powerpoint of Prezi gebruiken? Natuurlijk wel! Mijn persoonlijke ervaring is dat Powerpoint, Prezi of Keynote wel degelijk je verhaal kunnen ondersteunen mits je ze goed gebruikt. Het zijn gewoon handige tools en alleen jij kunt je presentatie maken of breken. Wat je in elk geval niet wilt is heel veel slides met heel veel tekst en eindeloze opsommingen met bullet-points. Hier is zelfs een term voor bedacht: ’Death by powerpoint’.

Wat in een Powerpoint, Keynote of Prezi over het algemeen goed werkt is de combi van beeld en zeer beknopte tekst. Sommige mensen houden meer van beeld en anderen meer van tekst, maar met deze combi zit je altijd goed. Zorg wel dat het beeld echt je boodschap ondersteunt en doe het niet omdat je zo trots bent op je vakantie-foto’s. In onze train-de-trainers laten we je nog veel meer manieren zien waarop je effectief gebruik kunt maken van deze tools om jouw boodschap te ondersteunen.

Wil jij het trainersvak in één keer goed leren? Doe dan nu mee aan onze Basis Train-de-trainer!

Heb je al ervaring als trainer, maar behoefte aan nieuwe inspiratie? Volg dan hier gratis de cursus Breinvriendelijk Trainen!

Vond je dit artikel interessant? Please like, comment or share!

Laatst coachte ik een hoogopgeleide professional die steeds black-outs kreeg als hij een presentatie moest geven op zijn werk. Dit maakte hem erg onzeker en hij begon te twijfelen of hij nog wel geschikt was voor zijn functie. Hij sliep slecht en oogde erg vermoeid.

Terwijl hij zijn probleem toelichtte werd me duidelijk dat hij erg met zich zelf bezig was. Hij liep rond met vragen als: Hoe kom ik over? Straal ik genoeg zelfvertrouwen uit? Vinden ze me wel slim genoeg? Hierdoor had hij weinig contact met de groep en werd hij onnodig nerveus. Het belangrijkste inzicht dat hij tijdens de coaching opdeed was de perspectiefwisseling van zichzelf naar de ander.

Nieuwe vragen

Hij ging zichzelf nieuwe vragen stellen zoals: Wat willen mijn collega’s eigenlijk weten? Wat zijn hun zorgen en problemen en hoe kan ik die verlichten? Hoe kan ik hen effectiever maken in hun werk en hun plezier vergroten? Met welke kennis kan ik hun leven verrijken en hoe kan ik dat boeiend brengen?

Doordat hij nu minder met zichzelf bezig was kon hij zich beter focussen op zijn boodschap en op de ontvangers ervan. Het effect was groot. Hij werd snel minder nerveus en de black-outs verdwenen. Zijn presentaties werden interactiever en zijn zelfvertrouwen herstelde. Doordat hij beter ging slapen nam ook zijn energie weer toe.

Een goede trainer stelt de groep voorop

Waarom neem ik je mee in zijn verhaal? Het vat de essentie samen van mijn visie op het trainerschap. Als jij je wilt ontwikkelen tot trainer onthoud dan alsjeblieft één ding: we zijn zelf niet zo belangrijk als we denken – een goede trainer stelt de groep voorop.

Ik denk dat dit gegeven een universele waarde heeft, of je nu trainer bent of lezingen of presentaties geeft. Voor groepen staan is nu eenmaal spannend. Zij zijn met veel meer dan jij en ons oerbrein weet heel goed dat de groep veel sterker is dan jij als individu. Het is volkomen logisch dat je – zeker als je nog onervaren bent – soms aan jezelf gaat twijfelen en daardoor meer met jezelf bezig bent dan met de groep. Natuurlijk is er niks mis mee om te zorgen dat je netjes verzorgd, in je favoriete outfit en goed voorbereid voor de groep staat. Wat je kunt doen om te zorgen dat je goed in je vel zit, moet je zeker doen.

Maar er komt ook een moment dat je jezelf moet vergeten en de groep centraal moet stellen. Zij investeren kostbare tijd en soms ook geld, dus het is logisch dat ze er zitten met de vraag: ‘What’s In It For Me?

Groot dromen en klein doen

Zorg dus dat je je verplaatst in hun leerbehoefte, hun pijn en hun verlangen en dat je met iets komt dat hun leven verreikt. Ideaal is dat deelnemers een nieuw perspectief krijgen én iets kleins wat ze meteen al kunnen gaan toepassen. De weg naar verandering waarin ik geloof luidt: Groot dromen en klein doen. Als je mensen hierbij helpt kun je voor hen van grote waarde zijn!

Overigens betekent ‘de groep centraal stellen’ niet dat je niet voor jezelf mag zorgen. Net als in het vliegtuig met de zuurstofmaskers help je eerst jezelf om daarna anderen te kunnen helpen. Alleen als jij lekker in je vel zit en kunt genieten van je werk, kun je de beste trainer zijn die je in je hebt en die je elke groep gunt.

Wil je nog veel meer trainersgeheimen leren? Download dan hier gratis ons Ebook Inspirerend Trainen

Vond je dit artikel interessant? Please like, comment or share!

Zie jij het anders of heb je aanvullingen? Plaats een comment!

Onlangs ging ik met mijn beide kinderen (toen 11 en 14) een middagje klimmen in het klimbos. Je weet wel, dat is zo’n route door de bomen met allerlei hindernissen op 5 – 10 meter hoogte. Nu moet je even weten dat ik nogal last heb van hoogtevrees. Gelukkig was ik helemaal safe, zo dacht ik. Ik had mijn camera bij en zou – veilig vanaf de grond – allerlei mooie foto’s maken van mijn klimmende kinderen. Zij liever dan ik, dacht ik nog…

Maar toen kwam het: mijn zoon wilde per se ‘de route voor 12 en ouder’ klimmen. Aangezien hij toen 11 was, was er maar één manier om hem de uitdaging te geven waar hij naar verlangde: ik moest mee omhoog, want dan mocht het wel…

Daar stond ik dan met mijn dilemma…

Óf ik blijf veilig op de grond en ben een sukkel van een vader.

Óf ik kijk mijn angst recht in de ogen, ga flink buiten mijn comfort-zone en ben – als ik het overleef – de vader die ik graag wil zijn.

Dat is namelijk een vader die moed toont en die zichzelf en zijn kinderen een gezonde uitdaging gunt.
Met het eerste kon ik niet leven, dus er zat niks anders op: met knikkende knieën de ladder op. Ik herinner me dat ik – een maal hoog boven de grond – aan ACT moest denken. Ik zei dingen tegen mezelf als: ‘Voel de angst en doe wat je moet doen. Focus op je volgende stap. Blijf ademen en bewegen.’ En het werkte. Ik legde de route zonder kleerscheuren af, klom weer naar beneden en stond opgelucht een beetje bij te komen.

Maar mijn zoon was net warm gedraaid…

Nu moest en zou hij route twee natuurlijk ook doen en die was een stuk hoger en uitdagender. Ik dacht: ‘als route één lukt, dan lukt route twee ook’. Wij weer naar boven en inderdaad: dit was nog een stuk uitdagender. Tijgeren door een net. Van touw naar touw. Over wiebelende plankjes. En toen liep zelfs mijn zoon tegen zijn grenzen aan. Hij hing midden tussen twee bomen, was net iets te kort en kon niet verder en niet terug. En ik kon hem ook niet helpen, want je mocht niet samen op één hindernis. Dit was kennelijk het moment waar die lange ladders voor bedoeld waren die ik had zien liggen. Ik riep om hulp en in no time kwam een stoere dame met een ladder van 10 meter naar ons toe om mijn zoon veilig naar beneden te helpen. En ik stond er met bibberende knieën naast. Toen vroeg ze: ‘En wat doet u, meneer? Klimt u door of gaat u mee met uw zoon?’ En ik zei stoer: ‘Tsja, ik laat mijn zoon natuurlijk niet in de steek…’ En wederom daalde ik opgelucht weer af…

Wat heeft dit nu met ACT te maken?

Wel dit is precies waar Acceptance and Commitment Therapy (ACT) over gaat: jezelf of je coachees helpen om enerzijds helder te krijgen: Wat voor persoon wil ik zijn? Wat voor man, vrouw, partner, ouder, vriend(in), werknemer, ondernemer? Wat zijn mijn kernwaarden in een bepaalde context? En hoe breng ik die stap voor stap in de praktijk? Dit is de commitment-kant.

En tsja, als dit gemakkelijk was, dan had jijzelf (of je coachee) het al lang gedaan. Dan was je al veel eerder:
• alleen op reis gegaan
• op die leuke man of vrouw afgestapt
• op dat podium gaan staan
• die gave, dure cursus gaan doen
• voor jezelf begonnen als zelfstandig coach

Maar helaas is het niet gemakkelijk. Het is spannend. Het kan tegen vallen. Je kunt falen. Of zelfs worden afgewezen. En hier komt de acceptance-kant om de hoek kijken. Het goede nieuws is: acceptatie is een vaardigheid die we gewoon kunnen leren. En er – al doende – steeds beter in worden. Zodat je je comfort-zone steeds meer kunt oprekken en gaan doen waar je (misschien al veel te lang) van droomt.

Onze gevoelens willen gevoeld worden

Want dat wat we moeten accepteren is vaak niks méér dan lastige gedachten en moeilijke gevoelens. Onze neiging is vaak om die gedachten en gevoelens te vermijden en dan toch maar niet alleen op reis te gaan. Maar in plaats van te vermijden kun je jezelf er ook naar toe wenden. Er nieuwsgierig naar worden en ze onderzoeken. Er ruimte voor maken. Ze voelen. Dit lijkt contra-intuïtief, ik weet het. Maar het werkt – zo blijkt niet alleen uit onderzoek, maar ook uit de levens van duizenden mensen. Gewone mensen met angst- en depressieve klachten en mensen die op zeer hoog niveau functioneren zoals topsporters en CEO’s.

En misschien ken je de RET, die zegt: je niet-helpende en irrationele gedachten moet je opsporen, uitdagen en vervangen door helpende gedachten. Dit kan, maar het is veel werk als je bedenkt dat wij zo’n 40.000 gedachten per dag hebben waarvan ruim twee derde niet-helpend is…

ACT zegt iets veel simpelers

ACT zegt: je hoeft niet de inhoud van je gedachten te veranderen, maar alleen je relatie ermee. Dit proces heet defusie en is niet alleen leuker, maar werkt ook veel sneller. Waar de RET nog zegt: je hebt verkeerde gedachten, zegt ACT: je hebt hele normale gedachten – die hebben we allemaal. Het is gewoon ons brein die ons helpt te overleven en ons voortdurend waarschuwt voor gevaar.

Een meerwaarde van ACT vind ik ook dat emoties en fysieke sensaties óók worden meegenomen. Mensen leren bij ACT op een fysieke manier zich ontspannen en ruimte maken terwijl zij lastige emoties ervaren. Door het verzet op te geven wordt ‘vuile pijn’ (de pijn plus je verzet) weer gewoon ‘schone pijn’ en die kunnen we vaak goed verdragen. Omdat ACT ondersteund wordt door het gedachtegoed rondom mindfulness wordt zij tot de derde generatie gedragstherapieën gerekend.

Tenslotte is misschien leuk om te weten dat ACT – ook al heet het een therapie te zijn – wereldwijd steeds meer in coaching wordt ingezet. Dit is goed te verklaren als je bedenkt dat ACT eigenlijk meer een moderne vaardigheidstraining is dan een traditionele therapie-vorm.

Wil je meer weten over ACT, download dan hier gratis het Ebook ‘Coachen met ACT in het kort’

Of luister naar deze Podcast waar ik wordt geïnterviewd door Hugo Bakker.

Of pak meteen door en schrijf je in voor een Basistraining Coachen met ACT.

Vond je dit interessant of nuttig? Please share!

Heb je een andere mening of opmerking? Please comment!

Less = More.

Je kent deze uitdrukking vast wel.

Meer is niet altijd beter. Denk aan de inrichting van je huis. Het plannen van je agenda. Het geven van speelgoed aan je kind… Helaas houdt ons oer-brein niet van ‘tekort’. En dus willen we te veel.  Voor veel trainers geldt dit ook: we programmeren te veel, zenden te veel en verwachten te veel. Vaak met teleurstelling tot gevolg. Gelukkig kan het anders en in dit artikel lees je hoe.

Ik ken tientallen trainers en als er één ding is dat ze met elkaar gemeen hebben, dan is het wel hun enthousiasme. Ze willen allemaal graag hun boodschap overbrengen en zijn daarin ook heel vrijgevig. Alleen schieten ze soms wat door. Misschien herken je dit zelf ook wel. Je wilt je deelnemers veel geven en dus programmeer je veel te veel inhoud. En als je niet oppast sta je veel te lang te zenden met weerstand of afhakende deelnemers als resultaat. Aan je intentie ligt het niet, want die is heel positief, maar effectief is het helaas niet…

Ons brein is een overlevingsapparaat!

Wetenschappers van nu zijn het er over eens: ons brein is in de loop der tijd geëvolueerd tot een effectief overlevingsapparaat. Een van de gevaren waar onze prehistorische voorouders constant rekening mee moesten houden was: schaarste. Als de voedselvoorraden onverwacht op waren dan kwam het voortbestaan van de soort in gevaar. En dus hebben we allemaal nog steeds een soort verzamelaar in ons. De een verzamelt kleding en schoenen, de ander mooie gadgets, en weer een ander verzamelt kennis. En ook als trainer proberen we een gevoel van te kort ten allen tijde te vermijden: wat als ik te weinig nieuwe kennis bied? Of te weinig werkvormen heb? Of te weinig tips geef?

Het is goed om je te realiseren dat minder van het één vaak meer is van het ander. Minder spullen is meer rust en ruimte, dat weet elke minimalist. En ja, ook voor trainers geldt: less=more! Hieronder lees je vijf manieren waarop minder van het een, méér is van het ander. En laat dat andere nu vaak veel belangrijker zijn!

Minder inhoud = meer rust en diepgang

Als je te veel inhoud programmeert (in de vorm van kennisoverdracht, werkvormen en oefeningen), dan kom je vaak slecht uit met de tijd. Pauzes beginnen later en worden ingekort, de eindtijd verschuift. Dit is niet prettig voor je deelnemers, want zij willen weten waar ze aan toe zijn en hebben regelmatig behoefte aan rust en tijd om te socializen, bellen, plassen, de stof verwerken, etc. Als hier niet aan wordt voldaan zul je merken dat hun aandacht verslapt.

Het is ook niet prettig voor jou, want je staat daardoor te trainen met een gevoel van haast. Dit geeft niet alleen minder plezier en voldoening, je hebt ook minder aandacht voor je trainees en bent dus ook minder effectief.

Als je minder programmeert, dan houd je altijd wat tijd over voor verdieping. Juist het gesprek na een oefening of ervaring voegt vaak heel veel toe. Mensen zitten waarschijnlijk met vragen of willen graag hun ervaring delen. Bovendien kunnen zij leren van elkaars ervaringen. En jij kunt dat gesprek in goede banen leiden, ieders inbreng samenvatten en ze helpen om de transfer te maken naar hun praktijk.

En ja het is spannend om voor je gevoel net iets te weinig te programmeren. Ik los dat zelf op door wel altijd wat reserve-oefeningen achterin mijn draaiboek te zetten. Voor het geval dat… In de praktijk heb ik die echter zelden nodig!

Minder theorie = meer actie

Als mensen een gemiddelde lezing van een uur bijwonen en je zou ze een week later vragen wat ze er nog van weten, dan is dat vaak teleurstellend weinig. Pure kennisoverdracht is dus meestal niet zo effectief. Bovendien leven we in een tijd dat mensen bedolven worden onder de informatie. Logischerwijze zijn zij kritische kennisconsumenten geworden. Daarbij is het goed om na te denken waar jouw meerwaarde ligt als trainer. Die ligt niet zozeer in je kennisoverdracht, want kennis kunnen mensen ook gemakkelijk opdoen uit een boek of via het internet.

Jouw meerwaarde ligt onder andere in de unieke ervaringen die je mensen op laat doen. Die is immers alleen bij jou verkrijgbaar! Het is dan ook de kunst om tijdens de training de theorie- en kennisoverdracht tot een minimum te beperken. Een deel van de benodigde kennis kun je uit de training halen en aanbieden via literatuur, ebooks en filmfragmenten. Tijdens de training zelf bied je alleen de essentie aan of herhaal je kort de reeds bestudeerde theorie. Ook kun je op speelse wijze de stof opfrissen met een leuke quizz of de online tool Kahoot. De meeste tijd besteed je dus aan: ervaringsgerichte oefeningen, reflectie en feedback hierop en interactie met jou en de andere deelnemers.

Minder tekst = meer beeld

Denk eens terug aan een saaie presentatie of training zoals we die allemaal wel eens hebben meegemaakt. Grote kans dat daarbij gebruik werd gemaakt van een PowerPoint met veel bullets en lappen tekst. Als je pech had ging de presentator ook nog eens die teksten voorlezen. Ik heb zelf wel eens meegemaakt dat er zoveel tekst op een PowerPoint stond dat de letters niet eens leesbaar waren!

Je begrijpt: dit kan echt niet meer anno 2019. Gelukkig is het ook helemaal niet nodig. Het eerste wat je daarvoor moet beseffen is: de PowerPoint is niet jouw spiekbrief! Prima als je een spiekbrief nodig hebt, maar gebruik dan…. een spiekbrief! (Bijvoorbeeld in de vorm van cue cards waarop de belangrijkste reminders staan, in woord of beeld).

Overigens is er niks mis met PowerPoint of Keynote. Het zijn gewoon handige presentatietools. De kunst is om ze zo te gebruiken dat ze jouw boodschap optimaal ondersteunen en je publiek bij de les houden! Daarbij werken beelden vaak beter dan woorden. Niet voor niets luidt het gezegde: één beeld zegt meer dan 1000 woorden. Ook in ons brein zie je dit terug: het visuele zintuig neemt daar meer plek in dan alle andere zintuigen bij elkaar. De tip is dan ook: presenteer max 1 idee per slide, gebruik tekst met mate en voeg ondersteunende beeldmateriaal toe.

Minder zendtijd = meer interactie

Beginnende trainers / experts staan vaak veel te lang te zenden. Hun gedachtegang is simpel: ‘ik weet iets dat mijn deelnemers nog niet weten, dus ik moet het ze vertellen’. Dit wordt ook wel ‘de vloek van kennis’ genoemd: zij weten niet meer hoe het is om iets niet te weten en beseffen daardoor niet dat ze mensen overladen met informatie. Daarbij geeft ‘zenden’ een gevoel van controle. Zij denken wellicht onbewust: ‘zo lang ik aan het woord ben heb ik de regie’. De neiging om te veel te zenden is dus heel begrijpelijk. Maar helaas is dit niet zo effectief. Deelnemers worden er heel passief van, of gaan juist steeds de discussie aan of schieten in de weerstand.

Wat wij mensen nodig hebben om te leren is – naast actie – ook interactie. We willen de mogelijkheid hebben om onze vragen te stellen, ervaringen uit te wisselen en te sparren. De reden hiervoor is simpel: ons brein is een enorm sociaal orgaan. Vergeet niet dat de mens in wezen een zoogdier is en bedenk dan hoe jonge puppies of kittens hun vaardigheden leren. Juist, door voortdurend te spelen en stoeien met andere kittens of puppies. Als wij mensen een training in gespreksvaardigheden volgen willen we ook ‘stoeien’ met de trainer, met onze mededeelnemers en met de stof.

Minder stress = meer empowerment

Veel beginnende trainers geven onbedoeld stress aan hun deelnemers en dat is jammer, want een gestresseerd brein staat niet meer open om te leren. Deelnemers neigen dan tot ‘vechten of vluchten’ en dat is niet de modus waarin je ze wilt hebben. Hieronder noem ik enkele manieren waarop trainers hun deelnemers onbedoeld stress kunnen geven:

  • Ze vergeten dat ze er zelf jaren over hebben gedaan om zich de materie eigen te maken en verwachten daardoor te veel in te korte tijd.
  • Zij zijn sterk gehecht aan hun methode en zijn daardoor heel precies in ‘hoe het hoort’
  • Zij vergeten dat er vaak vele wegen zijn die naar Rome leiden: hun manier is zelden de enige manier.
  • Zij hebben onvoldoende oog voor faalangst bij hun deelnemers.
  • Zij stellen zichzelf onkwetsbaar en alwetend op, waardoor hun deelnemers zich heel klein gaan voelen.

Hoe voorkom je dit? De kunst is om een omgeving te scheppen die niet aanzet tot presteren (en dus stress geeft) maar tot experimenteren, onderzoeken en uitproberen. Op deze manier zal het geloof in eigen kunnen van je trainees het snelst groeien en dat is precies wat je wilt. Want alleen zo zullen je trainees ook echt na de training in de praktijk gaan doen wat de bedoeling is…

De Chinese wijze Confucius was zijn tijd ver vooruit toen hij – reeds in de vijfde eeuw voor Christus – de volgende woorden sprak:

Vertel het me en ik zal het vergeten.
Laat het me zien en ik zal het onthouden.
Laat het me ervaren en ik zal het me eigen maken.

Wil je meer trainersgeheimen leren? Download dan hier gratis ons Ebook Inspirerend Trainen!

Vond je dit artikel interessant? Please like, comment or share!