Berichten

Vannacht – ik lag toch wakker – las ik het nieuwe boek van Rutger Bregman uit: ‘De meeste mensen deugen’. Laat ik beginnen met de loftrompet te blazen voor het vijfde boek van deze jonge historicus (hij is 31). Het is lang geleden dat ik weer eens zo gegrepen was door een non-fictie boek. Omdat Bregman je meeneemt bij zijn eigen ontdekkingstocht leest het als een avonturenroman. Bovendien weet hij moeiteloos inzichten te verbinden uit de psychologie, biologie, antropologie, archeologie en economie. En het mooiste is: daar komt een mensbeeld uit naar voren dat wat mij betreft realistisch is en tegelijk zeer hoopgevend. En een beetje hoop kunnen we best gebruiken!

Natuurlijk is er ook kritiek op zijn boek

Dat is ook te verwachten als iemand de moed heeft om een aanname ter discussie te stellen die onder zo’n beetje alles ligt wat we doen. Die aanname kun je samenvatten als: ‘de meeste mensen deugen niet’. En daarom moeten we blijkbaar alles voorkauwen, bureaucratiseren en controleren. Helaas leidt dit er ook toe dat de creativiteit, de intrinsieke motivatie en de levenslust soms ver te zoeken zijn. Bregman citeert een OESO onderzoek dat stelt dat Nederlandse leerlingen het minst gemotiveerd zijn van alle onderzochte landen. Best zorgelijk en waarschijnlijk ook herkenbaar voor veel docenten. Over de kritiek: ik heb er drie tot mij genomen en weet je wat me opviel? Alle drie de auteurs hadden duidelijk zijn boek niet gelezen, hooguit de proloog. Tsja, dat is wel een beetje makkelijk.

En wat is dan die ontdekkingstocht van Bregman?

Je hebt vast weleens gehoord van bekende psychologische onderzoeken, zoals het Stanford Prison experiment, de elektrische schokken van Stanley Milgram en het Bystander effect n.a.v. de moord op Catherine Genovese. Welnu, al die onderzoeken zijn door kritische wetenschappers opnieuw onder de loep genomen en Bregman neemt je mee naar wat daar werkelijk gebeurde. Het Prison Experiment blijkt meer weg te hebben van een geënsceneerd toneelstuk. Bij de schokken-machine geloofde meer dan de helft van de proefpersonen niet dat de schokken echt waren. Catherine Genovese kreeg wel degelijk moedige hulp van een buurvrouw, zij het te laat. En onderzoek van de Deense sociaal psychologe Lindegaard n.a.v. beveiligingscamera’s in grote wereldsteden laat zien dat in 90% van de gevallen mensen elkaar juist wel helpen! Misschien zag dat er ongeveer zo uit:

The lord of the flies, maar dan in het echt…

Helemaal smullen wordt het als Bregman beschrijft hoe hij een echte ‘Lord of the Flies’ op het spoor komt. In dit beroemde, fictieve boek spoelen een aantal jongens aan op een onbewoond eiland… En veranderen uiteindelijk in wilde dieren… aldus de korte versie. Bregman vraagt zicht echter af of zo iets misschien ooit in het echt gebeurd is en neemt je mee op zijn zoektocht. Uiteindelijk ontmoet hij in Brisbane de heren op leeftijd Mano Totau en Peter Warner. Mano Totau was één van de zes jongens die in 1965 met een gestolen vissersboot aanspoelden op het eiland ‘Ata in de Stille Oceaan en Peter Warner was de man die hen 14 maanden later aantrof in goede gezondheid en samenlevend in volmaakte harmonie. Het verhaal leest als een sprookje en Bregman zegt hierover: het werkelijke verhaal zou te zoet zijn voor Hollywood.

Klopt ons mensbeeld nog wel?

Het zijn onder andere dit soort onderzoeken en verhalen die ons mensbeeld hebben gevormd. Oh ja en het nieuws natuurlijk, dat we dagelijks krijgen voorgeschoteld en dat alles behalve representatief is voor het dagelijkse leven van de mensheid als geheel. En dan heb ik het nog niet eens over het ‘Filter-bubbel-effect’ waarbij we door de algoritme’s van sociale media voortdurend worden bevestigd in ons eigen gelijk. Zo vind jij het vast óók moeilijk om te geloven dat de wereld nog nooit zo veilig is geweest als nu. Toch laten cijfers zien dat dit het geval is. Uit Bregman’s boek komt dan ook een heel ander mensbeeld naar voren dan waar velen van ons in geloven, namelijk dat van een door en door sociaal en intrinsiek gemotiveerd dier dat waarschijnlijk het resultaat is van de ‘Survival of the friendliest’.

Voor de helderheid: dit is niet een verzinsel van Bregman. Zowel de psychologie, de biologie als de archeologie ontwikkelden de laatste decennia steeds meer consensus in de richting van dit hoopgevende mensbeeld en weten dit ook nog te onderbouwen. Bregman schuwt trouwens ook de moeilijke onderwerpen niet, zoals oorlog, corruptie, racisme en terrorisme. En ook daar blijkt de realiteit vaak anders dan je zou verwachten. Zo blijkt de gemiddelde soldaat het erg moeilijk te vinden om een tegenstander neer te schieten. Kortom: het lijkt erop dat ons mensbeeld aan een update toe is: waarschijnlijk deugen de meeste mensen. Helaas haalt dat zelden de media, want goed nieuws verkoopt niet. En ja, soms doen mensen ook dingen die niet deugen en die krijgen helaas heel veel podium. Best gevaarlijk, trouwens, want het brengt mensen die daar vatbaar voor zijn nogal eens op slechte ideeën.

Vraag niet of het waar is, maar vraag wat het gevolg is van je aanname

Hoe overtuigend het boek van Bregman ook is, uiteindelijk is heel moeilijk te bewijzen of de mens nu deugt of niet. Voor beide stellingen zul je bewijs vinden en het is dus ook heel lastig om iemand die er anders over denkt dan jij, van het tegendeel te overtuigen. Er bestaat echter ook zo iets als het Placebo-effect en – het omgekeerde hiervan – het Nocebo effect. De dingen worden vaak waar, juist omdat we ze geloven. Verwant hieraan is de Self-fulfilling prophecy: als iedereen gelooft dat een bank zal omvallen en daarom zijn geld opneemt… Ook deze effecten onderbouwt Bregman met fascinerende verhalen. Dus wat staat ons te doen als we willen dat mensen deugen? Het antwoord is simpel en heeft desondanks nogal grote implicaties als we het echt serieus zouden nemen. Het antwoord luidt: mensen behandelen alsof ze deugen.

Wat gebeurt er als je mensen behandelt alsof ze deugen?

Ach, dit heeft alleen maar implicaties voor hoe je de maatschappij, hoe je bedrijven en hoe je scholen effectief en menswaardig inricht…

Maar weet je, ik ben geen politicus noch organisatie- of onderwijsadviseur. ‘Schoenmaker blijf bij je leest’ blijft een mooi gezegde. Ik weet echter wel iets over coachende gespreksvoering. En ook daar speelt ons mensbeeld een belangrijke rol. Ook hier is het de vraag hoe we naar de intenties én de competenties van de coachee kijken. In literatuur en trainingen over Motiverende gespreksvoering wordt vaak Goethe geciteerd:

Als je iemand behandelt zoals hij is, zal hij blijven zoals hij is, maar als je hem behandelt alsof hij is wat hij zou moeten en kunnen zijn, zal hij worden wat hij zal moeten en kunnen zijn’.

En in Oplossingsgerichte gespreksvoering wordt vaak geadviseerd om de perceptie (de eigen waarheid) van de ander te respecteren en om bij negatief gedrag een gesprek te beginnen met: ‘Je hebt vast goede redenen om…’ Het is dan ook mooi om te zien dat onder deze methoden duidelijk de aanname te vinden is die de titel is van Bregman’s boek: De meest mensen deugen. Om dit abstracte gegeven iets concreter te maken heb ik drie adviezen voor elke coachende professional. Ze zijn niet nieuw, maar krijgen in het kader van Bregman’s boek wel een geheel nieuwe lading. Ze zijn ook niet per se waar, maar ik durf te stellen dat ze wel een groot verschil maken voor hoe mensen zich bejegend voelen en hoe zij zich vervolgens gaan gedragen. En pas als echt het tegendeel blijkt is het raadzaam om je aanname te herzien. Maar in elk geval weet je dan zeker dat jij dit gedrag niet zelf hebt opgeroepen…

Hier komen ze:

1. Ga ervan uit dat die ander de waarheid spreekt, al is het zijn of haar eigen waarheid.

2. Ga ervan uit dat de ander positieve intenties heeft

3. Ga ervan uit dat de ander competent is

Conclusie

Wat is nu mijn conclusie over het boek van Bregman? Is het een must read? Nou, als je dagelijks met mensen werkt (kinderen of volwassenen) en dus ook – bewust of onbewust – je beslissingen baseert op de intenties die je die mensen toedicht, dan zeg ik: wees ondeugend, leg onmiddelijk je werk neer en loop nu naar de boekwinkel!

PS: Vond je deze blog lezenswaardig? Wil je ook hoop en optimisme verspreiden? Deel dan ajb deze blog in je netwerk of plaats een comment!

Onlangs volgde ik een tweedaagse workshop bij Sue Young.

Zij reist de hele wereld over om docenten te leren hoe zij op een oplossingsgerichte manier een klimaat kunnen scheppen waarin pesten niet langer een probleem is. In een vorig leven was zij docente in de havenstad Hull, een ruige stad met veel problemen en de laagste inkomens van de UK.

Nog vóór zij van de Oplossingsgerichte aanpak hoorde, bedacht ze: ‘Wacht even: als we willen dat pesten stopt, dan moeten we misschien eerst bedenken wat we in de plaats willen van pesten…’ Zij zag namelijk te vaak gebeuren dat er een pest-probleem werd gesignaleerd, dat iedereen in rep en roer was, dat er groots werd uitgepakt om het pesten z.s.m. te laten stoppen, met als resultaat… dat het pesten toenam.

Wat je aandacht geeft groeit

Zo had ze nog een aantal overtuigende en tegelijk schrijnende voorbeelden:

Tienerzwangerschappen stoppen met grootschalige voorlichting? Ze namen toe.

Criminaliteitspreventie door schoolkinderen een kijkje te laten nemen in de gevangenis? De jeugddetentie nam toe.

Schorsingen en spijbelen? Wacht laten we eerst grondig de oorzaak onderzoeken, zodat… Beiden namen toe.

Had ik al gezegd dat wat je aandacht geeft, groeit?

Ok, maar hoe moet het dan?

Wel, het goede nieuws is dat aandacht ook de goede dingen laat groeien, alleen moeten we heel helder hebben wat ‘de goede dingen’ precies zijn. Wat wil je in de plaats van het pesten?

Haar ervaring is dat docenten – als ze daar in een ontspannen sfeer de tijd voor nemen – het snel eens worden over het antwoord op deze vraag: een vriendelijke atmosfeer, waarin leerlingen elkaar steunen, accepteren en in hun waarde laten, zodat iedereen zich veilig voelt en zichzelf durft te zijn.

Vervolgens kun je met elkaar brainstormen over vragen als:

  • Wanneer zien we nu al kleine signalen van deze gewenste situatie?
  • Hoe kunnen we die versterken?
  • Wat heeft eerder al goed gewerkt?
  • Hoe kan elke betrokkene (docent, leerling, ouder, staf) hieraan een steentje bijdragen?
  • Waarbij kunnen we hulp vragen aan ouders en leerlingen?
  • Wat zullen de eerste signalen zijn waaraan we straks zullen merken dat het de goede kant uitgaat?
  • Hoe kunnen we die vooruitgang vieren?

Sue Young is ook de ontwikkelaar van de Support-group aanpak. Hierbij organiseert zij rondom een kind dat wordt gepest een support-groep bestaande uit: enkele vriendjes, enkele omstanders en ja wel: enkele voormalige pesters. Alleen worden die laatsten nooit als zodanig benaderd. Er wordt ze simpelweg verteld dat het kind in kwestie momenteel niet zo gelukkig is en vervolgens vraagt Sue of ze haar willen helpen om het kind zich weer gelukkig te laten voelen. Het antwoord is vrijwel altijd ‘ja’…

Hoe dit komt? Ik vermoed doordat er niemand beschuldigd wordt van ‘pesten’ en doordat – in plaats daarvan – het kind dat voorheen pestgedrag vertoonde wordt gevraagd om iets heel moois te doen, namelijk een ongelukkig iemand weer gelukkig maken. De eerste die met een idee komt (‘Ik kan Anny bij de poort opwachten en haar een goeie dag wensen!’) wordt door Sue trouwens steevast met erkenning en complimenten ontvangen. Hierna volgen snel meer ideeën: ‘Ik kan bij haar gaan zitten tijdens de lunch!’, ‘Ik kan haar uitkiezen bij gym!’

Ik kreeg letterlijk tranen in mijn ogen bij al haar verhalen.

Wat je aandacht geeft groeit.

Als je nu denkt: ‘dit klinkt te mooi om waar te zijn’, weet dan dat Sue die reactie heel vaak heeft gekregen. In een wereld waarin lineaire causaliteit de norm is, kunnen we maar moeilijk bevatten dat de realiteit vaak een circulair systeem is waarbij alles invloed heeft op alles. Zelfs Sue kon haar succes in het begin nauwelijks geloven. Totdat een opdrachtgever haar vroeg: ‘show me your numbers’. Ze begon te meten en ontdekte: bij de eerste 50 supportgroepen die ze deed nam bij 80 % stopte het pesten vrijwel meteen volgens de ouders, school en de leerling zelf. Bij 14 % waren er tussen 1 en 5 sessies nodig voordat verbetering optrad en bij 6 % was er sprake van een lichte verbetering, maar ook van terugval. Vermoedelijk voldoet dit onderzoek niet aan de hoogste wetenschappelijke standaard, maar het mag m.i. op zijn minst veelbelovend worden genoemd.

Het meest overtuigend voor haar zelf waren de kinderen die zij sprak en de ouders van wie het kind na de interventie weer blij en zonder buikpijn naar school ging.

Pas na het overlijden van grondlegster Insoo Kim Berg ontdekte Sue Young dat Insoo haar aanpak altijd openlijk had gesteund, iets wat zichtbaar veel voor haar betekende.

Sue’s levenswerk illustreert maar weer eens mooi het oplossingsgerichte adagium dat de oplossing vaak niets te maken heeft met het probleem.

Wil je meer weten over haar aanpak? Voor 12,50 koop je haar boek. En hier zie je haar op Youtube.

Wil je meer weten over Oplossingsgericht Coachen? Klik dan hier.

Vond je deze blog nuttig? Please share!

Vind je er iets van? Laat een reactie achter, ik ga graag het gesprek aan!

Laatst coachte ik een vrouw die graag dagelijks thuis mindfulness wilde beoefenen. De keren dat ze het deed hadden haar echt goed gedaan. En toch kon ze zich er heel vaak niet toe zetten. Meestal wonnen Netflix of het comfort van haar bed het van haar meditatiekussen. Bovendien had ze een héél druk leven.

Al pratende werd snel duidelijk wat haar dwars zat. Je zou het perfectionisme kunnen noemen. Ze zei dingen als: ‘ik moet minimaal 25 minuten zitten, anders zet het geen zoden aan de dijk’.

‘In welk wetboek staat dat geschreven?’, zo vroeg ik haar.

Dat kon ze me niet vertellen, dus blijkbaar was het haar eigen ‘wetboek’.

En nu ‘zat’ ze zo zelden dat het zeker geen zoden aan de dijk zette!

‘Vergeet even je wetboek, zei ik, welk aantal minuten kun je met gemak dagelijks vrijmaken om te mediteren?’

‘Vijf minuten zou wel moeten lukken, zo zei ze, maar heeft dat zin dan?’

Ik weer: ‘Meer zin dan één keer per week vijfentwintig minuten, zoals je nu doet.’

Het gesprek ging nog even door en aan het eind committeerde ze zich aan vijf minuten per dag. En een week later kreeg ik een trots appje waarin stond dat ze elke dag had gemediteerd met een gemiddelde van een kwartier.

Wat zij in haar hoofd deed, doen volgens mij heel veel mensen: we maken de verandering te groot of te perfect. Dingen moeten in één keer lukken anders hoeft het niet. Het is alles of niks.

En de realiteit is dan meestal: niks…

Dit is echt jammer, want het is eigenlijk heel simpel: als je een nieuwe gewoonte wilt ontwikkelen, begin dan gewoon belachelijk klein, zó klein dat je denkt dat het zinloos is. Het gaat namelijk om het feit dat je begint.

Want dat levert sowieso iets moois op:

  • Misschien bevalt het en ga je nog even door
  • Misschien krijg je een andere, positievere reactie van je omgeving
  • Misschien groeit je zelfvertrouwen
  • Misschien leer je iets nuttigs
  • Misschien is dit het begin van een nieuwe, heilzame gewoonte

Je kunt dit oplossingsgerichte principe op zó veel gebieden toepassen:

Wil je ‘s ochtends koud afdouchen? Begin met alleen je handen of draai de kraan een tikje frisser.

Wil je beginnen met hardlopen? Trek ’s ochtends al je sportschoenen aan en jog gewoon een stukje als je toch de hond uitlaat / boodschappen gaat doen / naar je auto loopt. Ziet er nog hip uit ook!

Wil je je schulden afbetalen? Begin met de allerkleinste schuld.

Wil je gezonder eten? Begin met één maaltijd per week.

Wil je je relatie met een dierbare verbeteren? Begin met kleine attenties, zoals een aardig appje / briefje / kaartje.

Wil je naar de sportschool, maar lukt dat niet? Doe thuis 5 squats, 5 push-ups en 5 sit-ups en geef je zelf 5 schouderklopjes!

Wil je de sfeer in een team verbeteren? Begin elk overleg met 5′ kleine succesjes delen vanuit de vraag: wat zijn ook al weer de kleine, alledaagse dingen waar we het voor doen?

En voor je het weet is dit het resultaat:

https://www.youtube.com/watch?v=5JCm5FY-dEY&t=11s

Rita baily, de voormalige HR-directeur van South West Airlines zei het mooi:

Start wherever you are and start small!

Ben jij een coachende professional en wil je leren hoe je mensen kleine stappen kunt laten zetten richting grote doelen? Volg een driedaagse basistraining Oplossingsgericht Coachen. De basis al gedaan? Doe dan onze driedaagse verdiepingstraining!

Vraag een gemiddelde coachee wat hij wil bereiken en hij zal je vertellen wat hij niet meer wil: Geen ruzies meer, niet meer zo moe zijn, geen stress meer, nooit meer die pijn ervaren…

Blijkbaar weten mensen vaak beter waar ze vanaf willen dan waar ze naar toe willen. Op zich is dit heel begrijpelijk. Ze hebben iets meegemaakt dat onprettig, pijnlijk of zelfs bedreigend was en ze weten één ding zeker: ‘dat nooit meer!’

Helaas is het niet erg helpend om alleen te weten waar je vanaf wilt. Dat is immers net zo iets als aan een ober vertellen wat je niet lust of aan een taxi-chauffeur vertellen dat je weg wilt van het vliegveld… Een van de taken van een coach is dus coachees helpen formuleren waar ze naar toe willen. Dit lijkt een open deur, maar toch is het dat niet. Ook coachende professionals vinden het m.i. soms lastig om te horen waar een coachee naar toe wil.

Die droombaan kan ik niet bieden, dus vraag ik er niet naar…

Ik merk dit bijvoorbeeld vaak bij uitkeringsconsulenten, want wat als iemand over zijn droombaan vertelt… Die kan ik hem waarschijnlijk niet bieden, zo denkt de consulent. Dat is wachten op een teleurstelling en dan heb ik het gedaan… Beter vraag ik hier niet naar! Ook deze denkwijze is heel begrijpelijk, maar wel jammer.

Want stel nu dat je de droombaan niet ziet als eindstation, maar als globale richting waarin de coachee zich blijkbaar graag wil ontwikkelen? Of het haalbaar is kunnen we op voorhand niet zeggen, maar waar je wel op kunt rekenen is dat hier de motivatie van de coachee verstopt zit.

Zelf begeleidde ik ooit een jongeman met een lichte verstandelijke beperking en een justitieel verleden die heel graag een eigen boerderij wilde, liefst in Duitsland. Ik wist ook dat hij schulden had, dus voorlopig zat een eigen boerderij er niet in. Toch vroeg ik door op zijn wens. Toen ik bijvoorbeeld vroeg wat hem daar zo mooi aan leek, begon hij te vertellen. Enkele jaren daarvoor had hij al werkend een zomervakantie doorgebracht op een boerderij in Duitsland en hij had het daar fantastisch naar zijn zin gehad. Hij had er hard gewerkt, kreeg veel waardering, werd zelfs verliefd en vond het heerlijk om buiten te zijn en met planten bezig te zijn. Oké er waren nog wat gesprekken nodig, maar uiteindelijk werd deze jongeman heel gelukkig met een baan bij de plantsoenendienst.

We hoeven niet bij de poolster uit te komen…

Het is dus belangrijk om te beseffen dat wij niet verantwoordelijk zijn voor het al of niet waarmaken van de droom van de coachee. Waar we de coachee wel bij kunnen helpen is om opnieuw richting te vinden in zijn of haar leven en een stip aan de horizon is daarbij heel behulpzaam. De wijze zen-meester Thich Nhat Hanh gebruikt hiervoor vaak een mooie metafoor: Als iemand ’s nachts verdwaald is in een donker bos, dan kan de Poolster hem helpen zich te oriënteren en de weg te vinden. Maar het is natuurlijk niet de bedoeling om uit te komen bij de poolster zelf…

Dit brengt ons ook op het thema ‘perfectionisme’. Als mensen nadenken over hoe ze hun leven willen vormgeven, dan komt daar – ongemerkt – nog wel eens een bepaalde mate van perfectionisme bij kijken. Stel een single vrouw van 30 heeft als stip aan de horizon: ‘dan woon ik in een schattig, klein boerderijtje in de buurt van Amsterdam met een leuke man, twee kinderen en een hond’.

Het is haar goed recht om hier van te dromen, maar we weten ook dat dit plaatje niet voor iedereen is weggelegd. Een vraag die je hier zou kunnen stellen is: ‘Wow, dat is een mooi doel… En ik hoop van harte dat dat jou gegund is… En waar ik nieuwsgierig naar ben: Wanneer zou het voor jou misschien nog niet het perfecte plaatje, maar wel al goed genoeg zijn? Nu blijkt misschien dat een relatie met een leuke man al een flinke stap in de goede richting zou zijn… Of wat meer buiten wonen… Of zwanger worden… Of een hond… Kortom: vier subdoelen die ieder een nogal verschillende strategie vragen.

Als je doet wat je altijd deed…

In eerdere blogs behandelde ik al de beroemde wondervraag en 10 varianten hierop, dus dat ga ik hier niet overdoen. Wat hier wel meerwaarde heeft is hoe je doorvraagt op het antwoord van je coachee. Anders gezegd: hoe kom je samen tot een werkbaar doel, waarvan de kans groot is dat de coachee er daadwerkelijk naar zal gaan handelen. Zodat-ie niet krijgt, wat-ie altijd kreeg door te doen wat-ie altijd al deed… Integendeel: we willen dat de coachee – desnoods met hele kleine stappen – nieuw gedrag gaat vertonen en dus ook nieuwe resultaten zal gaan krijgen.

Nadat je de Wondervraag of een andere ‘gewenste toekomst-vraag’ hebt gesteld, vraag je net zo lang door tot je een antwoord krijgt in positieve gedragstermen die binnen de eigen controle van de coachee liggen. We kennen allemaal de doel-criteria van SMART, maar persoonlijk vind ik 5 criteria te veel om tijdens een gesprek in mijn achterhoofd te houden.

PoBinToe!

Zelf gebruik ik liever: PoBinToe, ontleend aan NLP en vereenvoudigd tot wat voor mij de essentie is. PoBinToe staat voor: Positief geformuleerd, Binnen de eigen controle en Toetsbaar. Hieronder zie je enkele voorbeelden waarbij de coach helpt om betere doelen te stellen:

1. Positief geformuleerd:
Coachee: dan heb ik geen stress meer.
Coach: Geen stress, ok en wat is daar dan voor id plaats?
Coachee: Dan ervaar ik rust.

2. Binnen eigen controle:
Coachee: dan is mijn partner zorgzaam.
Coach: dat klinkt fijn en wat kan jij dan anders doen?
Coachee: dan durf ik beter te vragen ik wat ik nodig heb.

3. Toetsbaar:
Coachee: dan voel ik me fitter.
Coach: dat is mooi… en wat zie ik jou dan anders doen?
Coachee: Ja, dan fiets ik weer met plezier naar mijn werk.

Wat ook helpt: de wonderschaal

Met de zogenaamde ‘wonderschaal’ kun je heel gemakkelijk de route naar het wonder in kaart brengen. Nadat je de wondervraag hebt gesteld kun je het zojuist omschreven wonder een ‘10’ geven. Het probleem op zijn ergst krijgt een 0… Nu heb je een schaal en kun je de volgende vragen stellen:

• Stel het wordt geen 10… Welk cijfer zou voor jou ‘goed genoeg’ zijn? Hoe ziet dat er uit?
• Waar sta je nu op deze schaal?
• Oké, een 4… Wat zit er allemaal in die 0 tot 4? (M.a.w.: wat lukt er al?)
• Wanneer zat je al eens hoger dan een 4? Hoe deed je dat?
• Hoe ziet een 5 eruit?
• Op welke ideeën brengt dit je?
• Welke kleine stap zal jou dichter bij je doel brengen?
• Waaraan zul je als eerste merken dat je vooruitgaat?

En tenslotte

Onderweg naar het doel speelt optimisme en een gezonde dosis zelfvertrouwen natuurlijk ook een doel. Een van de taken van de coach is m.i. het aanwakkeren van zelfvertrouwen en het behouden van hoop en optimisme. Gelukkig is oplossingsgerichte gespreksvoering daar heel geschikt voor. Een simpele manier om te zorgen dat coachees een eerste stap zetten is het verkleinen hiervan. Kleine stappen vragen weinig vertrouwen, grote stappen vragen veel vertrouwen.

En soms… soms kan de stap niet kleiner dan die nu eenmaal is. Niemand kan immers een klein beetje ontslag nemen, emigreren, of zwanger worden. In dat soort gevallen geldt soms het adagium:

‘Jump and grow your wings on the way down!’

Ik wens je veel succes met het zetten van stippen aan horizonnen!

Vond je deze blog nuttig? Please share!
Heb je aanvullingen of een andere visie? Please comment!

Coach je weleens mensen die daar niet vrijwillig voor kiezen?

Hoor je weleens; ‘ik zit hier alleen maar omdat het moet…’ of: ‘Er zou eigenlijk iemand anders hier moeten zitten, namelijk…’

In dergelijke situaties is het niet eenvoudig om een co-creatie-relatie te ontwikkelen. Toch is het heel goed mogelijk en in dit blog lees je hoe je dat voor elkaar kunt krijgen.

In een eerdere blog  stelde ik dat ieder oplossingsgericht gesprek tenminste drie ingrediënten bevat (en als één van deze drie ontbreekt zou het je eerste prioriteit moeten zijn):

1. Een co-creatie-relatie
2. Een stip aan de horizon
3. Een roze microscoop

In deze blog ga ik dieper in op de eerste. Als je wilt weten wat ik bedoel met een co-creatie relatie, lees dan eerst even deze blog.

Wat we kunnen leren van oom Steve

De vraag is nu: hoe kom je tot een dergelijke ‘co-creatie-relatie’? Om die vraag te beantwoorden gaan we eerst even terug in de geschiedenis. Ik wil je namelijk laten zien hoe Steve de Shazer, één van de grondleggers van de ‘Solution Focused Brief Therapy’, aan het begin van zijn gesprekken al meteen een positief kader aanbracht. Wat hij zei was het volgende:

“Dank je wel dat je gekomen bent… Ik hoop dat dit gesprek op de één of andere manier nuttig voor je zal zijn… Ik kan dat niet garanderen…  Maar wat ik wel kan garanderen is dat ik mijn uiterste best zal doen en ik hoop dat jij dat ook zult doen…”

Stel nu dat je als coachee zo je twijfels heb over het feit dat je met een coach in gesprek gaat, welk effect zou een dergelijke opening dan op je hebben?

Natuurlijk hoef je niet Steve de Shazer na te apen en kun je je eigen woorden kiezen, maar het is interessant om te zien wat hij precies doet:

1. Hij uit waardering voor de komst van de coachee: “Dank je wel dat je gekomen bent…”
2. Hij stelt expliciet het belang van de coachee voorop en benadrukt het nut van het gesprek: “Ik hoop dat dit gesprek op de één of andere manier nuttig voor je zal zijn…”
3. Hij is eerlijk, realistisch en doet geen beloftes die hij niet na kan komen: “Ik kan dat niet garanderen…”
4. En hij spreekt een positieve intentie uit en doet de suggestie dat de coachee dat ook zou kunnen doen: “Maar wat ik wel kan garanderen is dat ik mijn uiterste best zal doen en ik hoop dat jij dat ook zult doen…”

Vooral het uiten van waardering en het steeds weer benadrukken van het nut voor de coachee zijn kenmerkend voor de manier waarop een oplossingsgerichte coach een co-creatie-relatie opbouwt. Dat laatste doet de coach door regelmatig zogenaamde nuttigheidsvragen te stellen:

Aan het begin: “Hoe kunnen we zorgen dat we jouw tijd nuttig besteden tijdens dit gesprek?”
Halverwege: “Ik wil even bij je checken: is het gesprek tot nu toe nuttig voor je?
Aan het eind: “Wat was er in dit gesprek het meest nuttig voor je?”

Als je coachee niet vrijwillig komt

Het kan zijn dat de coachee niet vrijwillig aan het gesprek deelneemt, bijvoorbeeld omdat hij gestuurd is door een derde partij, zoals de rechter, een werkgever, de school, ouders, de huisarts. De kans is groot dat deze coachee inderdaad allerlei problemen ervaart, maar dat wil nog niet zeggen (1) dat hij er over wil praten, (2) dat jij daarvoor de aangewezen persoon bent.

Je zult dus alles uit de kast moeten halen om het vertrouwen van je coachee te winnen en een hulpvraag mogelijk te maken.

De volgende stappen kunnen helpen:

Tip 1: Begin met oprechte waardering te uiten voor het feit dat de coachee naar het gesprek toe gekomen is. Besef dat hij ook had kunnen wegblijven, zich ziek melden, ‘verslapen’, etc. Besef ook dat het moed en doorzettingsvermogen vraagt om naar een gesprek te komen waar je tegenop ziet.

Tip 2: Creëer veiligheid door je rol te verhelderen en te vertellen wat je wel en niet van de coachee verwacht en wat hij van jou kan verwachten.

Tip 3: Bouw vertrouwen op door de beleving van de coachee te respecteren, óók al ben je het hier niet mee eens. Vermijd de woorden ‘Ja, maar…’

Deze vragen kunnen een gesprek op gang brengen:

1. Hoe was het voor je om hier naar toe te komen?
2. Klopt het dat je hier niet vrijwillig bent?
3. Zo ja: Het lijkt me heel naar om verplicht in gesprek te moeten met iemand die je nog niet goed kent… Wat is de reden dat je toch bent gekomen?
4. Wat wil [de verwijzende instantie] dat er gaat veranderen? Hoe zie jij dit zelf?
5. Wat wil je liever niet veranderen en wat misschien wel?
6. Wat kunnen we bespreken zodat het voor jou zelf nuttig wordt?
7. Je hebt vast goede redenen om te doen wat je nu doet… Vertel eens?
8. Hoe zou je merken dat je voldoende veranderd hebt?
9. Hoe kan ik je – ondanks de lastige situatie waarin je zit – misschien toch helpen?

Als je coachee naar anderen wijst:

Het komt ook voor dat de coachee weliswaar een probleem ervaart, maar dat hij de oorzaak hiervan buiten zichzelf legt: hij moppert, klaagt of beschuldigt anderen. Ook deze situatie vraagt wat voorwerk alvorens je oplossingsgericht kunt gaan coachen.

Wat hier vaak goed werkt zijn de volgende stappen:
Top 1: Toon oprecht begrip en empathie voor wat de coachee als probleem ervaart.

Tip 2: Onderzoek hoe deze situatie de coachee hindert in diens welzijn of functioneren.

Tip 3: Begin voorzichtig te verkennen wat de coachee anders zou willen en hoe hij of zij daar zelf aan zou kunnen bijdragen.

Met deze vragen verken je de invloed en veranderbereidheid van de coachee:
1. Op welke manier heb jij zelf last van deze situatie?
2. Waar hoop je op? Welk verschil zou dat maken?
3. Wat zou je in de plaats willen van hoe het nu gaat?
4. Stel dat die ander verandert, wat zou jij dan vervolgens anders kunnen doen?
5. Stel dat de ander niet verandert, wat zou jij dan toch kunnen doen om de situatie een beetje te verbeteren?
6. Wat heb je weleens overwogen om te doen dat zou kunnen helpen?
7. Zou de situatie nog erger kunnen zijn dan het nu is? Hoe zorg jij ervoor dat het niet nog erger is?
8. Stel dat je je lot in eigen handen zou willen nemen. Wat zou dan een kleine 1e stap kunnen zijn die jij zelf kunt zetten?

Hoewel er geen garanties zijn dat gestuurde of externaliserende coachees in één gesprek zullen transformeren tot gemotiveerde en bereidwillige coachees is dat toch heel goed mogelijk. Ik spreek daarbij ook uit mijn eigen ervaring in het reclasseringsveld. Het is goed om te beseffen dat gedrag dat wij ervaren als weerstand heel vaak een roep is om begrip.

Over Steve de Shazer doet het verhaal de ronde dat hij het fenomeen ‘weerstand’ ooit ritueel in de tuin heeft begraven waarna hij een artikel publiceerde genaamd ‘the death of resistance’.

Hoe ga jij zelf om met gestuurde coachees? Als je aanvullende tips hebt, deel ze dan vooral hieronder!

Was deze blog interessant of nuttig voor je? Please share!

Over oplossingsgericht coachen wordt vaak gezegd: ‘It’s simple but not easy’.

Ook zelf heb ik het gevoel dat hoe meer ik erover leer, hoe minder ik weet. Maar misschien is dat wel precies de bedoeling?

Toch denk ik wel een paar dingen te weten.

Wat vind je van deze: ieder oplossingsgericht bevat tenminste drie ingrediënten (en als één van deze drie ontbreekt zou het je eerste prioriteit moeten zijn). Hier komen ze:

  1. Een co-creatie-relatie
  2. Een stip aan de horizon
  3. Een roze microscoop

Ik neem ze alle drie even met je door.

De co-creatie Relatie

Motiverende gespreksvoering - samenwerken richting veranderingMet een co-creatie-relatie bedoel ik: een werkrelatie waarbij de coach het welzijn van de coachee voorop stelt, uitgaat van gelijkwaardigheid, vertrouwen heeft in de krachtbronnen van de coachee en de intentie heeft om te onderzoeken hoe coachee diens doelen kan bereiken op een manier die bij hem past. De coachee op zijn beurt is bereid om actief bij te dragen aan het leer- en creatieproces, om open en eerlijk te zijn,  en om te onderzoeken wat wel en niet werkt bij het bereiken van de eigen doelen. En het mooiste komt nog: tussen die twee kan zich iets ontwikkelen wat uiterst productief is: een creatieve uitwisseling tussen twee welwillende experts. De coach is expert over het proces en de coachee is expert over het eigen leven. En samen vormen zij een TEAM in de betekenis van ‘Together Each Achieves More’.

De stip aan de horizon

Stip aan de horizonMet een stip aan de horizon bedoel ik: een voor de coachee aantrekkelijk doel, positief geformuleerd, liefst in gedragstermen. Idealiter beschrijft coachee dit doel zodanig dat de coach het voor zich kan zien. Hier zijn verschillende typen vragen voor, waaronder de wondervraag en enkele varianten hierop. Het idee is dat de coachee uitgenodigd wordt het probleem-denken even achter zich te laten, de fantasie te gebruiken en hardop te dromen over een andere, fijnere toekomst. De valkuil hier is dat de coach daar onmiddellijk een ander, realistischer perspectief tegenover stelt. Het is daarom goed om te beseffen dat we hier op zoek zijn naar een globale richting en niet per se naar een eindbestemming. Het is alsof twee reizigers overeenstemmen om samen richting het zuiden te gaan en dat beiden open staan voor verschillende mooie bestemmingen die zich onderweg zullen aandienen.

De roze microscoop

De roze microscoopDe roze microscoop is een metafoor die is bedacht door Cora Hagen voor het principe dat de oplossingsgerichte coach met een nieuwsgierige, waarderende blik heel minutieus op zoek gaat naar lichtpuntjes en krachtbronnen in het leven van de coachee. Bij krachtbronnen kun je denken aan sterke kanten van de coachee, hulpbronnen in diens netwerk en verder alles wat bijdraagt aan vooruitgang: inzet, bereidheid tot leren, creativiteit, lef, experimenteer-lust, etc. De lichtpuntjes kunnen bestaan uit diverse ervaringen uit verleden en toekomst: eerdere successen, uitzonderingen op het probleem, dingen die werken, getoonde veerkracht, stapjes in de goede richting, kleine signalen van vooruitgang, etc.

Nu vraag je je misschien af: ‘Allemaal leuk en aardig, maar hoe komt ik dan aan die drie ingrediënten?’

Het antwoord hierop lees je in de komende drie blogs!

Vond je dit blog nuttig? Please share!

Heb je er iets over te zeggen? Please comment!

 

Omdat ik zowel training geef in motiverende gespreksvoering, als in oplossingsgericht coachen krijg ik vaak de vraag wat nu precies de verschillen zijn tussen beide methoden. Beoefenaars van de ene ‘school’ weten vaak weinig van de andere. Ook kom ik veel vooroordelen tegen die de andere school geen recht doen. Laatst vroeg ik een Amerikaanse ‘goeroe’ op het gebied van Motiverende gespreksvoering tijdens een workshop wat hij vond van de Oplossingsgerichte benadering. Helaas bleek uit zijn antwoord dat hij de andere methode niet volledig op waarde wist te schatten. En ook andersom heb ik dat weleens meegemaakt.

Hoogste tijd dus voor een blog over deze twee fantastische methodes. Eerst zal ik stilstaan bij enkele overeenkomsten die ik denk te zien, vervolgens bij enkele verschillen en tenslotte zal ik hardop dromen over de wenselijkheid van integratie tussen beide methoden.

Voor het geval je je afvraagt of ik zelf een voorkeur heb: het is voor mij net als bij mijn twee kinderen. Ze zijn deels hetzelfde en deels verschillend. Ieder heeft zijn eigen charmes. Maar vraag me niet om te kiezen voor één van beide!

Voor het gemak gebruik ik vanaf nu de termen MI voor Motivational Interviewing en SF voor Solution Focus, al was het maar omdat die afkortingen ook doen denken aan ‘Mission Impossible’ en ‘Science Fiction’ (met dank aan een humoristische deelnemer).

Overeenkomsten tussen MI en SF

Beide methoden zijn ruim 30 jaar oud en dus inmiddels echt volwassen. Dat blijkt ook uit onderzoek: voor beide methoden bestaat het nodige bewijs dat ze effectief zijn bij het praten met mensen over verandering. En bij beide is vervolgonderzoek wenselijk en dat gebeurt ook.

Beide methoden zijn springlevend en ontwikkelen zich voortdurend verder op basis van onderzoek, praktijkervaringen, kennis-deling op het werk, in literatuur en op congressen. Bij beide methoden zie je vaak dat beoefenaars er een beetje verliefd op worden, onder andere omdat er zo’n mooi mensbeeld onder ligt. Dat mensbeeld komt grotendeels overeen met dat van de humanistische en tegenwoordig positieve psychologie: ieder mens beschikt over kracht en wijsheid en is – onder de juiste omstandigheden – geneigd om zichzelf te ontwikkelen in de richting van een gezond, liefdevol en betekenisvol leven.

Beide methoden zijn in een specifieke, Amerikaanse context ontstaan (hierover meer bij de verschillen) en hebben zich sindsdien als een olievlek over de wereld én over diverse contexten verspreid. Beide zijn sterk in opkomst in het onderwijs – waar steeds meer op een coachende manier wordt lesgegeven.

Beide methoden staan erom bekend dat ze ‘prettig zijn in het gebruik’. Dat wil zeggen dat het toepassen ervan de coach of hulpverlener veel voldoening geeft. Ook de cliënten die het ‘ondergaan’ zijn vaak aangenaam verrast in de zin dat zij als mens voor vol worden aangezien en in zichzelf hernieuwde levenslust, energie, inspiratie, kracht, creativiteit en wijsheid vinden. Tsja, wie wil dat niet?

Beide methoden zijn toekomstgericht en kennen een heldere focus: waar werken we naar toe? Wat is de gewenste verandering? Er wordt in principe niet ‘gegraven in het verleden’ vanuit de vraag: waar is het misgegaan? Het verleden wordt vooral gezien als een rijke bron van leerervaringen over wat wel en niet werkt in het leven van je cliënt. De vraag is niet: wat ontbreekt er? Er wordt gekeken naar: wat is er al? Hierdoor duren de trajecten relatief kort, doorgaans variërend van 1 tot 8 gesprekken, zelden langer. Beide hebben zelfs hun waarde bewezen in hele korte gesprekjes (5 – 10 minuten).

Door de actieve luisterhouding, de waarderende, niet-oordelende blik, het serieus nemen van de ander, het zoeken van samenwerking en het ondersteunen van de autonomie ontstaat er een bijzondere, warme sfeer in gesprekken. Ook kiezen beide methodes voor een houding van niet-weten in plaats van die van een expert. Hierdoor zie je vaak dat eventuele ‘weerstand’ van de cliënt al snel afneemt en omslaat in een bereidheid tot samenwerking en zelfonderzoek.

Beide methoden zijn ‘simple but not easy’. Dit komt onder andere doordat veel mensen oude en ineffectieve reflexen bij zichzelf moeten gaan herkennen en stap voor stap vervangen door andere, effectievere reflexen. Ja, tijdens een driedaagse training kun je prima de basis aanleren en daarna zullen je gesprekken waarschijnlijk een andere kwaliteit en dynamiek krijgen. Uitgeleerd zul je echter niet snel zijn. Ik houd me met beide methoden langer dan 10 jaar bezig en leer nog dagelijks bij.

Tenslotte kenmerken beide ‘conversatiestijlen’ zich door de nadruk op het ontlokken van specifieke taal. En dat is meteen een mooie brug naar de verschillen.

Verschillen tussen MI en SF

In het geval van MI ben je als beoefenaar op zoek naar ‘change-talk’ oftewel verandertaal. Hiermee wordt bedoeld: alles wat de cliënt zegt dat vóór verandering pleit of tegen de huidige status quo. Een belangrijk deel van de verandertaal gaat over ‘het waarom’ van verandering. In het geval van SF ben je op zoek naar ‘solution-talk’ oftewel oplossingstaal. Dit zijn uitingen van de cliënt die gaan over: mogelijkheden, oplossingen, successen uit het verleden, kleine stapjes in de goede richting. Een belangrijk deel van de oplossingstaal gaat over ‘het hoe’ van verandering.

Zoals gezegd zijn beide methoden ontstaan in een heel verschillende context. Dit is interessant omdat dat volgens mij iets zegt over ‘het ideale toepassingsgebied’. Ik geloof namelijk in ‘de juiste tool voor de juiste klus’. Een hamer is bedoeld om een spijker in hout te slaan. Kun je ook een schroef in hout slaan? Natuurlijk kan dat, maar met een schroevendraaier gaat het een stuk makkelijker en effectiever.

SF is ontstaan in een achterstandswijk in Milwaukee in het werken met multi-problem-gezinnen. Je kunt je vast voorstellen dat het zoeken naar de oorzaak van problemen daar weinig zinvol was. De problemen en oorzaken waren simpelweg te talrijk en te complex. Vragen naar de oorzaak leidde slechts tot het beschuldigen van elkander: ‘Waarom wij zo veel problemen hebben? Dat komt doordat papa drinkt, omdat mama zeurt, omdat de kinderen lastig zijn, omdat papa te weinig geld verdient…’ Niet erg effectief dus. De grondleggers van SF, Insoo Kim Berg en Steve de Shazer, ontdekten dat een gezin het veel sneller eens werd als er van begin af aan werd gesproken over positieve doelen, wat er al werkt, creatieve oplossingen en kleine stapjes in de goede richting. Als je mij nu vraagt waar SF het best op haar plaats is, dan denk ik: bij complexe systemen, zoals gezinnen, teams, scholen, organisaties.

MI is ontstaan in de behandeling van alcoholverslaafden en ontwikkeld door Bill Miller en Steve Rollnick. Omdat dat effectief bleek, verspreidde het zich naar andere vormen van verslaving, zoals soft- en harddrugs, gokverslaving, etc. Vandaar was het een kleine stap naar het bevorderen van een gezonde leefstijl en naar zaken als behandeltrouw (medicijn-inname, meewerken aan een therapie, etc.). En inmiddels wordt MGV met succes ingezet op zo’n beetje alle gebieden waar motivatie en gedragsverandering een rol speelt, met name wanneer dat gedrag ongezond, risicovol, ineffectief, onproductief of ronduit gevaarlijk is.

Als je me dus vraagt waar MI op haar best is, dan denk ik aan: ‘gewoontegedrag waar men ambivalent over is’. Want of het nu gaat over het gebruiken van drugs, ongezond eten of het niet opzetten van je helm op een bouwplaats: al deze gedragingen leveren op korte termijn een zeker plezier of gemak op, terwijl je er op de lange termijn een prijs voor betaalt. Zie daar het grote dilemma van de mens: kies ik voor ‘snel geluk’ of voor ‘duurzaam geluk’. MI is als geen andere methode toegerust om mensen te helpen een bewuste keuze te maken in dit ‘duivelse dilemma’.

Een interessant verschil tenslotte is hoe beide modellen omgaan met ‘confrontatie’. Je kunt je vast voorstellen dat bij verslaving (en ander gewoontegedrag) er iets stevigs nodig is om dit te veranderen. MI hanteert hiervoor het zogenaamde ‘discrepantie vergroten’. Dit is in feite een vorm van zelfconfrontatie en werkt al volgt. Doordat de cliënt meer contact krijgt met dieper gelegen doelen en waarden wordt hij zich bewust van het pijnlijke contrast tussen ‘wat ik zou willen doen’ en ‘wat ik feitelijk doe’. Hierdoor ontstaat vaak een diep verlangen naar verandering. Als vervolgens het vertrouwen toeneemt en de gewenste verandering steeds meer als haalbaar wordt gezien, dan zie je dat mensen langzaam maar zeker stappen gaan zetten richting verandering.

Bij SF confronteert men simpelweg niet, vanuit de overtuiging dat confrontatie meer hoort bij een traditionele, probleemgerichte aanpak en vaak meer kwaad doet dan goed. Een SF-beoefenaar werkt allereerst aan een co-creatie relatie, gaat vervolgens op zoek naar een ‘stip aan de horizon’ en kijkt vervolgens met ‘een roze microscoop’ heel gedetailleerd naar alle hoopgevende signalen uit het verleden en de nabije toekomst: wat werkt er al en wat zou er kunnen werken. De oplossingen komen daarbij niet van de coachende professional, maar van de cliënt zelf. Tegenwoordig wordt oplossingsgerichte gespreksvoering (met als aanvoerder Coert Visser) ook wel ‘progressiegericht’ genoemd en inderdaad dekt dat beter de lading.

Als ik nu het verschil tussen MI en SF tot één woord zou moeten reduceren dan denk ik dat MI meer gaat over ‘willen’ en SF meer over ‘kunnen’. En wat komt er nu eerst: willen of kunnen? Natuurlijk moet je eerst willen, voordat je je gaat inspannen om iets te kunnen. Aan de andere kant moet je geloven dat je iets kunt, voordat je het durft te willen. Mijn overtuiging is dat beide aspecten noodzakelijk zijn en dat je nooit te lang in één van beide gebieden moet blijven hangen. Ook kun je per cliënt bekijken waar het meest behoefte aan is: aan motivatie of aan vertrouwen in eigen kunnen (zelf-effectiviteit). In het eerste geval zou ik zeggen: werk aan willen; in het tweede geval: werk aan kunnen.

Wat kunnen beide methoden van elkaar leren?

Ik ken geen methode waarbij de gespreksvaardigheden zo tot op micro-niveau zijn uitgewerkt én onderzocht als MI. Met name de vaardigheid van het ‘reflectief luisteren’ is bijzonder waardevol en voor veel mensen bepaald niet gemakkelijk om te leren. De ontvanger van deze manier van luisteren voelt zich vaak op diep niveau begrepen. In dit blog lees je meer over deze actieve, empathische en aandachtige manier van luisteren. Oplossingsgericht werkenden stellen vaak prachtige, out-of-the-box vragen die de cliënt in contact brengen met diens eigen kracht, creativiteit en wijsheid. Echter in het zoeken naar de ultieme vraag zou zo iemand wel eens door kunnen schieten en vergeten om echt met aandacht en empathie te luisteren.

Andersom zijn MI-beoefenaars er een kei in om het verlangen naar verandering aan te wakkeren. Als dit echter niet gepaard gaat met toegenomen vertrouwen dan is wat je aan het doen bent in feite ‘wreed’, zo zeggen ook grondleggers Miller en Rollnick zelf. Nu besteed ook MI wel aandacht aan het vergroten van vertrouwen in eigen kunnen, maar hierin zijn SF-beoefenaars werkelijk virtuoos, onder andere omdat zij zo heel gedetailleerd doorvragen naar alle kleine, hoopgevende signalen uit het verleden en de nabije toekomst en hierbij niet snel zullen opgeven. Hier lees je meer over oplossingsgericht werken en denken.

Kortom: neem eens een kijkje in de keuken van de ander, zodat je nog beter wordt in datgene waar het uiteindelijk om gaat: effectieve gesprekken voeren over verandering met mensen die lijden. In mijn eigen trainingen en coachgesprekken merk ik dat beide methoden steeds meer door elkaar gaan lopen. Soms ook krijg ik opdrachten zoals in het onderwijs of de arbeidsre-integratie waarbij ik een goed doordachte combinatie van beide methoden aanbied. Ook spreek ik steeds vaker andere trainers die eenzelfde keuze maken.

Toekomst-muziek: motiverende oplossingsgerichte gespreksvoering!

Eerlijk gezegd hoop ik dat de scheidslijn tussen MI en SF ooit vervalt en men steeds meer gaat samenwerken en leren van elkaar met als ultiem doel: nóg effectiever worden in het faciliteren van blijvende verandering in mensenlevens, in gezinnen, op scholen, in organisaties en – je mag zeggen dat ik een dromer ben, maar ik ben niet de enige – misschien wel op mondiaal niveau.

Hoe kunnen we dat doen?

Door te onderzoeken wat onze diepste doelen en waarden zijn en hoe die contrasteren met ons huidige gedrag. En door het verlangen dat dan hopelijk ontstaat te gebruiken om te zoeken naar mogelijkheden, oplossingen en kleine stappen in de goede richting. En laten we daarbij niet vergeten stil te staan bij wat er al is en wat er al werkt, want er is niets motiverender dan het besef van ‘reeds bereikte progressie’.

Laten we wijzen naar mogelijkheden en oplossingen in plaats van naar elkaar…

Je bent van harte welkom om hierover van gedachten te wisselen, in een comment hieronder of face to face tijdens een van onze trainingen.

Vind je dit blog waardevol? Fijn als je hem deelt in je netwerk!

Laatst was ik een weekje in Zuid-Spanje en liep ik langs een 2e hands winkel met als naam ‘Nuevo para tí’, wat zoveel wil zeggen als : ‘Nieuw voor U’. Dat vind ik nou een mooi voorbeeld van een herkadering.

Voor coachende professionals kunnen herkaderingen ook een fantastische manier bieden om hun coachees een ander, nieuw perspectief aan te bieden. Coachees blinken er immers vaak in uit om zichzelf vast te zetten in een negatieve, niet-helpende interpretatie van de feiten.

Denk maar aan uitspraken als: “Ik zit helemaal klem”. “Ik wordt geofferd”. “Ik heb de boot gemist”

Omdat wij zelf niet vastzitten in het probleem en dergelijke situaties vaak al eerder hebben gezien of meegemaakt zijn we als geen ander in staat om een nieuw licht op de zaak te laten schijnen en herkaderingen zijn een mooie manier om dat te doen.

Een herkadering is eigenlijk niets meer dan ‘een nieuwe betekenis geven aan de feiten’.

Stap één is dan ook het achterhalen van die feiten door te vragen wat de coachee bedoelt als hij zegt ‘Ik zit helemaal klem’. Dan blijkt misschien dat hij een moeilijke keuze moet maken uit twee opties die hem beide onaantrekkelijk voorkomen, zoals: ‘Gaan scheiden of het uitmaken met mijn minnares’. Dit zou je dan kunnen herkaderen tot ‘een dilemma tussen hoofd en hart’, waarbij het natuurlijk raadzaam is om aan de coachee over te laten welke keuze staat voor ‘hoofd’ en welke voor ‘hart’.

Natuurlijk kun je een herkadering nooit ‘opleggen’ in de zin van ‘je moet het gewoon zo zien’. Maar wat in principe altijd kan is de herkadering vriendelijk aanbieden: hoe zou het zijn als je er zo naar kijkt? En wat zou je vervolgens anders kunnen gaan doen dat je nu nog niet doet? Mijn ervaring is ook dat je niet te snel moet willen gaan en soms eerst empathie moet bieden voor de beleving van de coachee.

Als coach kun je overigens veel voldoening scheppen uit het vinden van ‘de juiste herkadering op het juiste moment’. Dit is één van die gebieden waar je je creativiteit in kunt uitleven, mits het natuurlijk de cliënt ten goede komt anders kun je beter columns gaan schrijven.

Om je te inspireren heb ik een paar herkaderingen op een rijtje gezet die vaak van pas komen tijdens coach-gesprekken:

1. Een tegenslag of mislukking wordt een leerervaring.

De Dalai Lama heeft ooit gezegd: ‘If you loose, don’t loose the lesson’. Dit lijkt logisch maar heel veel mensen, zeker als ze wat meer een fixed mindest hebben, geven snel op na een tegenslag of mislukking en concluderen dat het er voor hen niet in zit.

2. Een verplichte huiswerkopdracht wordt ‘een interessant experiment’

Bij het oplossingsgericht coachen worden in feite nooit opdrachten gegeven, want wie heeft er sinds de middelbare school nou zin in ‘een opdracht’. Het doen van een experiment heeft een hele andere lading. Experimenten mogen immers mislukken of anders uitpakken dan verwacht en net als bij een scheikundige met reageerbuizen: je leert altijd iets!

3. Angst voor het onbekende wordt ‘het begin van een spannend avontuur’

Erken eerst: het lijkt me een lastig dilemma voor je, want je weet wel wat je hebt, maar niet wat je krijgt en natuurlijk is dat eng… Aan de andere kant zie je ook in dat je zo ook niet verder kunt. Hoe zou het zijn als je er naar kijkt als een spannend avontuur dat jou roept?

4. ‘Ik weet niet of ik het wel kan’ wordt ‘een kans om te groeien’

Er is een prachtig citaat dat toegeschreven wordt aan Pipi Langkous: ‘Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan!’ Is dat niet net zo waar als bij voorbaat denken dat je iets niet kan? Eigenlijk zegt zo iemand: ‘ik ben bang dat ik faal als ik het probeer…’ Precies om die reden moedigt de oplossingsgerichte aanpak vaak aan om te beginnen met hele kleine stapjes en experimenten, maar om in ieder geval te beginnen en niet te blijven hangen in faalangst.

5. Lijden wordt: ‘groeien in compassie’

Een van de mooiste boeddhistische uitdrukkingen vind ik: ‘No mud no lotus’. Hiermee wordt bedoeld dat als je geen lijden (modder) hebt meegemaakt, je ook geen compassie (lotusbloem) kunt ontwikkelen voor andere mensen die lijden. Overigens begint compassie vaak met zelf-compassie, mindfulness of zorgen voor jezelf als je het moeilijk hebt. Het alternatief is namelijk ‘vechten of vluchten’ en helaas is dat op lange termijn vaak geen houdbare strategie.

6. Lastig gedrag van een 3e wordt ‘een leraar op je pad’

Was het maar zo dat andere mensen zich altijd gedragen als liefdevolle supporters van ons en onze goede bedoelingen… Helaas zijn er altijd partners, collega’s buren en kinderen die ‘roet in het eten gooien’. Maar in plaats van hen te zien als hindernissen kun je er ook naar kijken als ‘leraren’. Ik geef toe: niet iedereen zal hier zo maar voor open staan. Maar als je zo iemand treft kan het enorm transformerend werken om bijvoorbeeld ‘The Work van Byron Katie’ te doen. Een van haar stellingen is: ‘Judge your neighbour and turn it around!’

7. Ongewenste emoties worden ’Helpende boodschappers’.

Veel mensen weten zich geen raad met de zogenaamde ‘negatieve’ emoties, terwijl die toch echt bij het leven horen en zelfs een belangrijke functie kunnen hebben! Zo betekent faalangst vaak dat je iets héél graag wilt… Angst is (iig oorspronkelijk) een signaal om alert te zijn voor mogelijk gevaar. Boosheid betekent vaak dat een belangrijke behoefte niet wordt vervuld of dat er een grens wordt overschreden. Verdriet betekent dat het tijd is om te rouwen en een bepaald verlies te verwerken.

8. Een problematische situatie als ‘de roep van de heldenreis’

Dit lijkt wat vergezocht, maar voor sommige coachees (jongeren, fantasy-fans) werkt het erg goed om een beroep te doen op de fantasie: ‘Stel je was een held zoals Frodo of Superman’en dit probleem was voor jou de oproep van een avontuurlijke reis… Wat zou je dan nu als eerste gaan doen? Wie zou je mentor kunnen zijn of worden? En waarin zou jij nu je moed kunnen tonen?

9. ‘Een verkeerde beslissing’ wordt ‘je beste optie op dat moment’

Mensen kunnen zichzelf jarenlang op de kop geven voor ‘een verkeerde beslissing’. Doodzonde want de realiteit is dat iemand die beslissing destijds heeft genomen en dat hij simpelweg niet kan weten hoe zijn leven was gelopen als je iets anders had besloten. We fantaseren vaak dat dan alles beter zou zijn, maar dat is natuurlijk onzin. Misschien heeft die beslissing wel ons leven gered… Het is veel helpender om die ene beslissing te zien als: ‘je beste optie van dat moment’

10. ‘Ik lijd dus er is iets mis met me’ wordt: ‘Ik lijd dus ik ben normaal!’

Dit is misschien wel de ultieme herkadering! ACT en mindfulness beschouwen pijnlijke gevoelens en belemmerende gedachten als ‘normale menselijke ervaringen die horen bij een rijk en betekenisvol leven’. Iemand die dergelijke gedachten of gevoelens heeft en die veroordeelt of zich er tegen verzet heeft er eigenlijk een extra probleem erbij: de emoties plus de overtuiging dat er iets mis is met je. De pijn die dan ontstaat noemen we in ACT ook wel ‘vuile pijn’ en die is een stuk lastiger te verdragen dan de aanvankelijke ‘schone pijn’.

Persoonlijk ben ik heel blij met dit inzicht, want laten we eerlijk zijn: wie kent er géén pijnlijke gevoelens en belemmerende gedachten? Zodra we die gedachten en gevoelens normaliseren zetten we de coachee (of onszelf) terug in de eigen kracht. Hier lees je trouwens een blog over het omgaan met lastige emoties.

Tot zover de 10 handige herkaderingen!

Welke herkadering gebruik jij vaak voor jezelf of voor je coachees? Please comment!

Vond je deze blog nuttig? Please like or share!

Wat is de mooiste, meest helpende vraag die jij ooit hebt ontvangen?

En: wat was daarop jouw antwoord?

Er is geen krachtiger gereedschap voor een coachende professional dan een goede vraag gevolgd door een aandachtige stilte…

Omdat ik zo gefascineerd ben door de kracht van vragen ben ik ze gaan verzamelen. Hieronder vind je 10 supervragen die gegarandeerd het gesprek een productieve wending geven, mits je ze op het juiste moment stelt. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze open zijn en tegelijkertijd de verantwoordelijkheid neerleggen waar-ie hoort: bij de coachee. Het mooie daarvan is dat ook de kracht, wijsheid en eventuele oplossingen komen te liggen waar ze horen: wederom bij de coachee.

De vragen zijn natuurlijk afkomstig uit de drie methodes waarin wij training geven: Motiverende gespreksvoering, Oplossingsgericht Coachen en ACT.

Omdat vragen niet op zich zelf staan geef ik per vraag een klein stukje context waarin die vraag het meest passend is. Hier komen ze:

1. Een vraag die metéén aan het begin van het gesprek de coachee aan het denken zet is de volgende:Hoe kunnen we zorgen dat dit voor jou een nuttig gesprek wordt?”

2. Als iemand klaagt over anderen of de verantwoordelijkheid afschuift en je de invloed van je coachee bespreekbaar wilt maken:Dat lijkt me lastig… En hoe vormt dit een probleem voor jou?”

3. Als de coachee zich gedwongen voelt om deel te nemen aan jouw begeleiding:
Het is vast heel naar om verplicht te worden tot een gesprek. Wat is de reden dat je toch bent gekomen?”

4. Als iemand last heeft van vooroordelen:Hoe kun je bereiken dat mensen je anders gaan zien?”

5. Als iemand last heeft van een ongezonde of zelfs destructieve gewoonte:Stel je zou niks veranderen en je gaat / leeft op dezelfde manier verder… Wat gebeurt er dan met je?

6. Als je iemand’s persoonlijke waarden wilt verhelderen:Stel je staat bij Petrus aan de hemelpoort en hij vraagt wat voor iemand je bent geweest. Wat wil je dan kunnen zeggen?

7. Als je iemand wilt uitdagen, maar niet te veel en niet te weinig:Met welke volgende stap zou jij jezelf kunnen uitdagen?”

8. Als iemand door (faal)angst niet uit de verf komt:Als jij de goedkeuring van de hele wereld had en het kon niet mislukken… wat zou je dan gaan doen?”

9. Als je iemand vaker ziet en niet weet hoe je moet beginnen:Welke vraag zou je vandaag willen beantwoorden?”

10. Als je aan het eind van het gesprek commitment wilt ontlokken:Wat wil je met jezelf afspreken hierover?”

Welke vraag vond jij het meest nuttig? Of: welke krachtgerichte vragen stel jij zelf graag? Laat het me weten in een comment hieronder!

Wist je al dat er twee soorten vragen zijn?

De ene soort gaat over iemands kracht, over wat er al is, over de volle kant van het glas…

De andere soort gaat over iemand’s zwakte, over wat er ontbreekt, over de lege kant van het glas…

Waarom dat belangrijk is?

Yvonne Dolan zei het mooi:

‘The questions you ask shape the answers you get’.

Als je dus andere antwoorden wilt ontvangen van je cliënten, dan moet je andere vragen stellen!
Om dit nader toe te lichten moet ik je even iets uitleggen over hoe ons brein werkt. Je kunt het brein zien als een soort zoekmachine, zoals bijvoorbeeld google. En wat je ook intypt, je vindt altijd antwoord, niet waar?

Op internet is heel veel troep te vinden… Dus als je zoekt op ‘troep’ dan vind je ook troep…

Op internet is ook heel veel ‘geloof, hoop & liefde’ te vinden. Als je daarop zoekt, dan is dat wat je zult vinden.

Bij ons brein werkt het net zo!

Stel je wilt iets moeilijks bereiken of veranderen in je leven. Als ik jou vraag: Waarom lukt het niet? Wat houd je tegen? Of: Wat heb je nodig? Dan vraag ik naar je zwakte of naar wat er ontbreekt. Dit noem ik ‘rode vragen’ omdat er in ons brein een soort alarm-bel afgaat: ‘Is er soms iets mis met mij?’ Soms komen daar zelfs negatieve emoties bij kijken zoals angst en het gevoel te falen. Er bestaat zelfs kans dat iemand in de ‘vecht-of vlucht modus’ komt en zich gaat verdedigen.

Ik kan ook vragen: Wat geeft je een beetje vertrouwen dat het je zou kunnen lukken? Hoe zou je het aan kunnen pakken? Wat kan een makkelijke 1e stap in de goede richting zijn?

Voel je het verschil? Dit noem ik ‘groene vragen’, want ter plekke neemt het vertrouwen toe!

Bovendien komen hier positieve emoties bij kijken, zoals: hoop, vertrouwen, plezier. Volgens Barbara Fredrickson’s broaden and build model gebeuren er twee mooie dingen als iemand positieve emoties ervaart: we bouwen als het ware nieuwe reserves of hulpbronnen op (build) maar er ontstaat ook een blikverruiming (broaden). We worden creatiever en gaan méér mogelijkheden zien! En natuurlijk geldt dat ook voor jouw cliënt!

Kortom: als jij graag andere antwoorden wilt ontvangen, ga dan andere (groene) vragen stellen.

Mag ik dan nooit meer ‘rode vragen’ stellen?

Wellicht vraag je je dit af en natuurlijk mag dat best. Op zijn tijd een prikkelende vraag die tot nadenken stemt kan m.i. geen kwaad. Maar als jij wilt dat je cliënt meer vertrouwen krijgt in zichzelf en in zijn verandervermogen, dan raad ik je aan om minstens 3 x zo veel groene als rode vragen te stellen.

Hoe je dat leert?

Zowel in de training Motiverende gespreksvoering als Oplossingsgericht Coachen gaan we daar grondig mee aan de slag, zowel in theorie als in de ervaringsgerichte praktijk. Misschien dat dit blog je al triggert, maar waarschijnlijk geloof je het pas echt als je het zelf ervaart. Je bent welkom.

Vond je dit blog nuttig en/of leuk? Laat het me ajb. weten in een comment of deel het met je netwerk door op één van de social media buttons te klikken!